Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 9 februari 2016
ECLI:NL:RBNNE:2016:458
werknemer/Van Neerbos Bouwmarkten Exploitatie B.V.
Werknemer is sinds 1998 in dienst bij Van Neerbos Bouwmarkten Exploitatie B.V. (hierna: Van Neerbos), laatstelijk in de functie van verkoopmedewerker in een Gamma-vestiging. Op 23 oktober 2015 heeft zich in die vestiging een arbeidsongeval voorgedaan. Werknemer heeft samen met een collega gepoogd om – door in een bak op een heftruck te gaan staan – verlichting in de laad- en losruimte te herstellen, waarbij werknemer van een hoogte variërende tussen 2.50 en 3.50 meter is gevallen dan wel gesprongen. Werknemer heeft hierbij een hoofdwond en een gebroken hielbeen opgelopen. In onderling overleg hebben werknemer en zijn collega de toedracht van dit arbeidsongeval anders voorgesteld. De collega van werknemer heeft daartoe ter plekke een grote huishoudtrap geplaatst, stellende dat werknemer van de trap was gevallen. Op 29 oktober 2015 heeft de collega van werknemer aan de vestigingsmanager de werkelijke toedracht verteld. Inmiddels bleek ook dat camerabeelden de werkelijke toedracht van het ongeval in beeld hadden gebracht. Op 2 november 2015 heeft werknemer de werkelijke toedracht toegelicht, waarop werknemer is geschorst. Bij brief van 6 november 2015 is werknemer, samen met zijn collega, op staande voet ontslagen. Werknemer verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen. Van Neerbos verzoekt de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair op grond van verwijtbaar handelen van werknemer en subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het ontslag op staande voet is gegrond op meerdere redenen. Als eerste voert Van Neerbos aan dat werknemer roekeloos en in strijd met de hem bekende geldende veiligheidsregels heeft gehandeld. Mede uit het rapport van de Arbeidsinspecteur leidt de kantonrechter af dat werknemer weliswaar heeft gehandeld in strijd met de veiligheidsinstructies van Van Neerbos, maar dat de werkwijze – het gebruik van een bak op de heftruck om een persoon te liften – op de locatie waar werknemer werkzaam was niet ongebruikelijk was en zelfs door de leidinggevende werd toegepast. Van roekeloosheid is de kantonrechter niet gebleken. Immers, er moet ook rekening worden gehouden met het ervaringsfeit dat het regelmatig verkeren in een bepaalde werksituatie ertoe kan leiden dat de werknemer minder voorzichtig zal worden dan ter voorkoming van ongevallen raadzaam is. Ook de overige ontslaggronden kunnen het ontslag op staande voet niet dragen. Het fingeren van de werkelijke toedracht van het ongeval was onjuist. Toch acht de kantonrechter dit verwijtbaar handelen onvoldoende om het ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Werknemer en zijn collega handelden niet in hun eigen belang, maar in het belang van hun vestiging. Mede op grond van het voorgaande is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven.
Met betrekking tot de voorwaardelijke ontbinding overweegt de kantonrechter dat hiervoor geen redelijke grond bestaat. Aan beide ontbindingsgronden heeft Van Neerbos dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd als aan het ontslag op staande voet. De kantonrechter betrekt bij zijn oordeel dat, naast het thans centraal staande incident, geen enkele klacht over het functioneren van werknemer naar voren is gebracht gedurende een reeds vele (17) jaren durend dienstverband en evenmin is gebleken van aan het adres van werknemer geuite waarschuwingen omtrent roekeloos of in strijd met de veiligheidsvoorschriften vertoond gedrag. Tevens betwist werknemer de verstoorde arbeidsrelatie. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek van Van Neerbos.