Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 1 maart 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:737
werknemer/X Laboratories Int. B.V.
Werknemer (geboren 1960) is op 1 september 1997 bij werkgever in dienst getreden als vertegenwoordiger. Zijn salaris is deels gebaseerd op provisie (gemiddeld maandelijks inkomen van € 2.250 bruto). In 2008 heeft mediation plaatsgevonden tussen de managing director en werknemer omdat zij niet met elkaar konden opschieten. In 2011 is de managing director de direct leidinggevende van werknemer geworden. Na een periode van arbeidsongeschiktheid is werknemer vanaf 10 juni 2013 vrijgesteld van werkzaamheden. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd door middel van opzegging per 1 december 2013 na daartoe verkregen toestemming van UWV Werkbedrijf op grond van een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. Werknemer vordert schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag (valse reden en gevolgencriterium). Daarnaast vordert werknemer provisie over de periode van non-actiefstelling. De kantonrechter heeft de vordering inzake provisie deels toegewezen. Voor het overige is de vordering van werknemer afgewezen.
Het hof oordeelt als volgt. Wat de verstoorde arbeidsrelatie betreft, concludeert het hof dat werkgever geen verwijt valt te maken van de verstoring. Toen de leidinggevende vertrok en de managing director de nieuwe leidinggevende van werknemer werd, zijn afspraken gemaakt over het zo vlekkeloos laten verlopen van de samenwerking. Toen dit niet het gewenste resultaat opleverde, heeft werkgever meer malen mediation aangeboden, die uiteindelijk ook heeft plaatsgevonden. Gelet op zijn leeftijd van 52 jaar ten tijde van de opzegging en de arbeidsmarkt, verwacht werknemer, gezien het resultaat van zijn berekening via de website www.Hoelangwerkloos.nl en de belemmering van het concurrentie- en relatiebeding, na twee jaar ander werk te vinden. Het voorgaande brengt hem tot berekening van een schade van € 30.000 (24 maanden x € 1.250). Met betrekking tot de door werknemer gestelde schade merkt het hof op dat die mede in de risicosfeer van werkgever ligt, nu immers ook aan werknemer het ontstaan van een verstoorde arbeidsrelatie dient te worden toegerekend. De gehele door werknemer berekende schade kan derhalve niet aan werkgever worden toegerekend. Werkgever heeft voor werknemer geen financiële voorziening getroffen. Hierbij houdt het hof er wel rekening mee dat werknemer in de periode 10 juni 2013 tot 1 december 2013, dus gedurende ruim vijf maanden, geen werk hoefde te verrichten maar toch recht op basisloon en provisie heeft behouden. Voorts neemt het hof in aanmerking dat werkgever in haar brief van 5 april 2013 heeft aangeboden om in een vaststellingsovereenkomst als verbrekingsvergoeding zeven maandlonen op te nemen onder handhaving van het non-concurrentiebeding. Dit aanbod is door werknemer niet aanvaard. Uit het voorgaande volgt dat de gevolgen van de opzegging voor werknemer ernstig zijn, maar, gelet op het belang van werkgever om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen vanwege een ernstig verstoorde arbeidsrelatie, aan welke verstoring werknemer een bijdrage heeft gegeven, naar het oordeel van het hof niet zodanig dat in dit geval de gevolgen van de opzegging voor werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van werkgever bij de opzegging.
Met betrekking tot de provisie die werknemer over de non-actiefstellingsperiode had kunnen verdienen, oordeelt het hof als volgt. De vordering van werknemer betreft de betaling van provisie die hij in de periode 1 juli 2013 tot 1 december 2013 had kunnen verdienen indien hij in die periode had gewerkt. Teneinde de gemiste provisie over die periode zo goed mogelijk te bepalen komt naar het oordeel van het hof in redelijkheid het meest in aanmerking een zelfde periode over 2012, dat wil zeggen van 1 juli 2012 tot 1 december 2012 (de kantonrechter had gekozen voor 12 maanden voor non-actiefstelling).