Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 24 februari 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:4233
Stichting Organisatie voor Hindoe Media/werknemer
Stichting Organisatie voor Hindoe Media (hierna: OHM) wordt bestuurd door een raad van bestuur, die onder toezicht staat van een raad van toezicht (RvT). Daarnaast kent OHM een media-adviesraad (Mar). In de Mar zijn verschillende organisaties vertegenwoordigd. Werknemer is met ingang van 1 juni 2014 door de RvT aangesteld als enig bestuurder van OHM. Op 15 oktober 2014 heeft werknemer schriftelijk advies gevraagd aan de Commissie Integriteit Publieke Omroep (CIPO) over zijn voornemen om de heer M, voorzitter van een van de samenwerkende organisaties, als redacteur in dienst te nemen. Op 31 oktober 2014 heeft de RvT het besluit genomen dat de raad van bestuur alle voorgenomen besluiten over het aanstellen van personeel en zzp’ers ter goedkeuring moet voorleggen aan de RvT. De CIPO heeft negatief geadviseerd over de indiensttreding van M. Op 29 november 2014 heeft werknemer M een arbeidsovereenkomst voor een jaar aangeboden. Dit aanbod heeft M aanvaard. Op 5 januari 2015 is werknemer als bestuurder geschorst, op 8 januari 2015 is hij door de RvT op staande voet ontslagen. Daaraan wordt onder meer ten grondslag gelegd dat werknemer zich tegenover derden en het Commissariaat voor de Media, ondanks de schorsing, is blijven gedragen als bestuurder. OHM vordert betaling van gefixeerde schadevergoeding (art. 7:680 lid 1 (oud) BW) en stelt dat sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur (art. 2:9 BW) op grond waarvan werknemer een schadevergoeding verschuldigd is van € 33.696.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De RvT was op grond van de statuten van OHM bevoegd het schorsings- en ontslagbesluit te nemen. Werknemer heeft opzettelijk in strijd met het besluit van de RvT gehandeld door M in dienst te nemen. Tussen partijen is niet in geschil dat de financiële situatie van OHM zeer zorgelijk was (en is). Bovendien was M als voorzitter van een van de samenwerkende organisaties ook partij in het conflict met de RvT over de samenstelling van die raad. Daar komt nog bij dat werknemer heeft geweigerd het schorsingsbesluit uit te voeren. Ook dat is een ernstige gedraging die een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. De gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen (€ 38.097,15). Dat werknemer zijn geheimhoudingsplicht zou hebben geschonden, is onvoldoende onderbouwd. De omstandigheid dat werknemer opzettelijk in strijd heeft gehandeld met het besluit van de RvT van 31 oktober 2014, een besluit dat de rechtspersoon beoogde te beschermen, geldt als een zwaarwegende omstandigheid die in de omstandigheden van dit geval aansprakelijkheid van de bestuurder voor schade van de rechtspersoon vestigt (vgl. HR 10 januari 1997, NJ 1997/360 (Staleman/Van de Ven)). OHM heeft het causaal verband tussen het sluiten van de arbeidsovereenkomst met M en haar schade voldoende onderbouwd. Werknemer heeft niet betwist dat het bedrag van de gevorderde schadevergoeding gelijk is aan het brutoloon dat OHM gedurende twaalf maanden aan M voor een arbeidsomvang van 24 uur per week dient te betalen. Dat OHM voordeel heeft (gehad) van de arbeidsovereenkomst met M heeft werknemer onvoldoende onderbouwd. Het gevorderde bedrag van € 33.696 wordt toegewezen.