Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 10 februari 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:139
werknemer/Stichting Unicoz Onderwijsgroep
Werknemer is op 1 augustus 2010 in dienst getreden op het Oranje Nassau College te Zoetermeer (hierna: de school). Na een gesprek tussen werknemer en onder meer de algemeen directeur van de school over onregelmatigheden in de becijfering van schriftelijk werk is werknemer bij brief van 4 juli 2012 op staande voet ontslagen. Werknemer vordert primair een verklaring voor recht dat het ontslag nietig is, althans is vernietigd en subsidiair dat aan het ontslag geen dringende reden ten grondslag ligt en dat het ontslag onregelmatig is gegeven. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer afgewezen. Tegen dit vonnis komt werknemer in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Van een docent mag worden verwacht dat hij bij de becijfering van toetsen en dergelijke zorgvuldig te werk gaat en daarbij de door de school voorgeschreven richtlijnen in acht neemt. De school kon zich terecht op het standpunt stellen dat zij het vertrouwen in werknemer heeft verloren. Er hebben zich te veel incidenten voorgedaan bij de becijfering van toetsen en verslagen, zoals het zoekraken van elf toetsen en de wijze waarop de becijfering van het groepsverslag van klas B2B heeft plaatsgevonden. Werknemer heeft weliswaar bestreden dat hij op de hem verweten punten onzorgvuldig heeft gehandeld, maar die betwisting overtuigt niet in alle gevallen. Zo is niet opgehelderd volgens welke maatstaven werknemer de verslagen heeft becijferd. Evenmin valt goed te begrijpen dat er in klas M3B leerlingen zijn die hebben geklaagd over het niet terugkrijgen van schriftelijk werk, terwijl dit werk al wel zou zijn teruggeven. Het is achteraf niet goed meer vast te stellen in hoeverre de cijfers die werknemer in Magister heeft ingevoerd, correct zijn, en in hoeverre daar steeds schriftelijk werk tegenover heeft gestaan. De discussie die daarover is ontstaan is in overwegende mate te wijten aan de handelwijze van werknemer, die geen correctiemodellen heeft kunnen overleggen en weinig adequaat heeft gereageerd op vragen en verzoeken van de school. Dit klemt temeer nu vaststaat dat werknemer kort daarvoor ook al op soortgelijke incidenten was aangesproken, zoals op het zoekraken van schriftelijk werk, dat overigens uiteindelijk wel weer boven water is gekomen. Dat de school de arbeidsovereenkomst met werknemer wenste te beëindigen, acht het hof dan ook gerechtvaardigd. Daarmee is echter nog niet gezegd dat ook het ontslag op staande voet gerechtvaardigd is. Daarvoor is meer nodig dan dat werknemer onder de maat functioneerde en aldus het vertrouwen van de school heeft verloren. De school heeft onvoldoende onderbouwd dat werknemer bewust cijfers aan leerlingen heeft gegeven, terwijl hij wist dat daar geen werk tegenover stond dan wel op andere wijze opzettelijk essentiële regels voor het beoordelen van schriftelijk werk heeft overtreden. Gelet hierop is het ontslag op staande voet ten onrechte gegeven en heeft werknemer recht op een gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 4 BW jo. artikel 7:680 BW. Wat betreft de door werknemer aan de orde gestelde kwestie of de school gebonden is aan de uitspraak van de commissie van beroep voor het Christelijk Voortgezet Onderwijs en Hoger Beroepsonderwijs (hierna: commissie) oordeelt het hof als volgt. Aangenomen dat de uitspraak bindend is, zou dit niet ertoe leiden dat de primaire vordering van werknemer toewijsbaar is. Een uitspraak van de commissie kan immers niet tot gevolg hebben dat het in het arbeidsrecht - in beginsel - bestaande gesloten stelsel van opzeggings- en beëindigingsmogelijkheden wordt opengebroken. Volgt vernietiging van het bestreden vonnis.