Naar boven ↑

Rechtspraak

centrale ondernemingsraad van Stichting Reinier Haga Groep/Stichting Reinier Haga Groep
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21 maart 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:1105

centrale ondernemingsraad van Stichting Reinier Haga Groep/Stichting Reinier Haga Groep

Adviesrecht artikel 25 WOR. De medezeggenschapsrechten van de COR zijn geschonden, omdat het advies niet meer van wezenlijke invloed kan zijn op het besluit. De stichting heeft bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid kunnen komen tot de besluiten strekkende tot wijziging van de topstructuur van de stichting.

X, de voorzitter van de raad van bestuur (hierna: RvB) van de stichting Reinier Haga Groep heeft op 5 oktober 2015 aan de centrale ondernemingsraad (hierna: COR) advies gevraagd over een voorgenomen besluit tot wijziging van de topstructuur van Reinier Haga Groep. De RvB heeft naar voren gebracht dat is gekozen voor een overgangsfase van een vierhoofdige RvB naar een driehoofdige RvB. A volgt sinds 1 januari 2016 C op in de functie van directievoorzitter van Reinier de Graaf Groep. C was bovendien lid van de RvB van Reinier Haga Groep. A maakt echter geen deel uit van deze RvB. De COR heeft de Ondernemingskamer verzocht voor recht te verklaren dat Reinier Haga Groep in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot de besluiten met betrekking tot een wijziging van de topstructuur van Reinier Haga Groep. De COR heeft voorts onder meer verzocht bij wijze van voorziening Reinier Haga Groep te gebieden genoemde besluiten in te trekken en de gevolgen daarvan ongedaan te maken.

De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. De besluiten waarop het beroep van de COR betrekking heeft houden kortweg in dat A is benoemd tot directievoorzitter van Reinier de Graaf Groep, maar niet is benoemd tot lid van de RvB van Reinier Haga Groep. Daarmee heeft Reinier Haga Groep de facto het besluit genomen om de transitiefase, zoals die is verwoord in de adviesaanvraag, over te slaan en de topstructuur met een driehoofdige RvB in te voeren. Op geen van beide onderdelen heeft Reinier Haga Groep het advies van de COR afgewacht. Daarmee heeft Reinier Haga Groep de medezeggenschapsrechten van de COR geschonden, omdat het advies niet meer van wezenlijke invloed kan zijn op het besluit. Het standpunt van Reinier Haga Groep dat een nog uit te brengen advies van de COR ertoe kan leiden dat de directievoorzitter van Reinier de Graaf Groep alsnog wordt benoemd tot lid van de RvB miskent dat het adviesrecht van artikel 25 WOR betrekking heeft op een voorgenomen besluit en dat het besluit van wezenlijke invloed moet kunnen zijn op het te nemen besluit. Dat er, zoals Reinier Haga Groep heeft gesteld, sprake zou zijn van een ‘natuurlijk moment’ om het besluit tot wijziging van die structuur te nemen, te weten het vertrek van C als directievoorzitter en als lid van de RvB, versterkt de conclusie dat de COR is geconfronteerd met een reeds genomen besluit zonder zijn advies af te wachten. Het standpunt van Reinier Haga Groep dat het ‘natuurlijk moment’ zich aandiende na het vertrek van C en dat de organisatie operationeel rijp zou zijn voor het overslaan van de transitiefase kan er niet toe leiden dat het adviesrecht van de COR kan worden genegeerd. Dit standpunt had in een gewijzigde adviesaanvraag aan de COR aan de orde gesteld moeten worden. De medezeggenschap is niet tot zijn recht gekomen, omdat de RvB de COR op het verkeerde been heeft gezet, door na de aankondiging van het vertrek van C, eerst aan te dringen op een advies van de COR voor 31 december 2015 en vervolgens de COR te berichten dat deze versnelling niet nodig is. Op grond van de mededelingen van de RvB mocht de COR erop vertrouwen dat zijn advies zou worden afgewacht voordat enig besluit omtrent de topstructuur zou worden genomen. De slotsom luidt dat Reinier Haga Groep bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de genoemde besluiten. De verzochte verklaring voor recht en het verzoek Reinier Haga Groep te gebieden de besluiten in te trekken en de gevolgen daarvan ongedaan te maken, zullen worden toegewezen. Dat leidt echter niet zonder meer tot benoeming van A tot lid van de RvB. Het bepaalde in artikel 5.3 van het directiereglement heeft immers niet tot effect dat de benoeming van A tot directievoorzitter van Reinier de Graaf Groep, van rechtswege leidt tot een benoeming in de RvB, nu een dergelijke benoeming op grond van artikel 8 lid 3 van de statuten van Reinier Haga Groep aan de raad van toezicht is.