Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ABN AMRO N.V.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 22 december 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:5443

werknemer/ABN AMRO N.V.

Uitbetaling arbeidsmarkttoeslag wordt stopgezet zonder aankondiging van de werkgever daaromtrent. Beroep van werkgever op arbitraal beding in cao is te laat gedaan en de kantonrechter heeft zich dan ook ten onrechte onbevoegd verklaard.

Werknemer heeft van 1 juli 2005 t/m 1 maart 2011 bij ABN AMRO gewerkt. Hij ontving in ieder geval de laatste jaren een zogenaamde arbeidsmarkttoeslag (hierna: AMT). Vanaf 1 april 2011 heeft werknemer geen AMT meer uitbetaald gekregen. Werknemer vordert alsnog uitbetaling van de AMT over de periode 1 april 2011 tot 1 maart 2012. Volgens ABN AMRO is de kantonrechter ter zake niet bevoegd gelet op een in de ISP-cao opgenomen arbitraal beding. Dat beding zou volgens ABN AMRO aan de orde zijn, omdat de AMT per april 2011 was gestopt op de voet van een bepaling uit die cao. De kantonrechter heeft dit beroep gehonoreerd en zich onbevoegd verklaard van de vordering van werknemer kennis te nemen. Tegen dit oordeel komt werknemer in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. ABN AMRO heeft, hoewel naar haar eigen zeggen al in december 2009 bekend was dat werknemer boventallig zou worden, niettemin de AMT van werknemer per april 2010 verlengd tot april 2011, waarna in april 2011 een bericht aan werknemer werd verstuurd waarin ten minste de schijn werd gewekt dat die toeslag ook nadien zou doorlopen. Feitelijk is de bewuste toeslag weliswaar per de maand april 2011 niet meer uitgekeerd, maar een beslissing te dien aanzien heeft ABN AMRO eerst bij brief van 20 september 2011 aan werknemer kenbaar gemaakt na er door hem op gewezen te zijn dat hij sinds april 2011 geen AMT meer ontving. Gezien deze gang van zaken heeft werknemer uit niets kunnen begrijpen dat het niet meer ontvangen van de AMT van doen had met zijn plaatsing in de Mobiliteitsorganisatie, laat staan dat ABN AMRO zich daarbij baseerde op artikel IV lid 3 ISP-cao: toen hij bericht over die plaatsing ontving, in januari 2011, ontving werknemer nog steeds AMT en dat, laat staan waarom, dit anders zou worden werd hem ook toen niet gemeld. Dat artikel IX lid 5 van de ISP-cao en, ten vervolge hierop, het in die cao opgenomen arbitraal beding, hier aan de orde zou kunnen zijn, heeft werknemer dus evenmin kunnen begrijpen. In dit verband wijst het hof er ook nog op dat ABN AMRO zelfs in haar brief van 20 september 2011 geen beroep op de ISP-cao doet: zij vermeldt als reden voor de stopzetting voor de AMT enkel dat werknemer boventallig is en in de Mobiliteitsorganisatie is geplaatst. Opmerkelijk is dat volgens ABN AMRO de beroepstermijn als vermeld in het reglement van de Geschillencommissie ten tijde van het schrijven van de bewuste brief al was verlopen: ABN AMRO stelt immers dat die termijn (van zes weken) op 1 april 2011 was gaan lopen. Die visie is kennelijk gegrond op de formulering ‘of geacht wordt achterwege te zijn gebleven’ in de tekst in bedoeld reglement die ziet op de beroepstermijn. Wat er zij van dit betoog, zowel de uiterst korte beroepstermijn als de nadere definiëring daarvan in bedoeld reglement maakt dat ABN AMRO voor een geslaagd beroep op het arbitraal beding werknemer uiterlijk in april 2011 had moeten laten weten dat zij op de voet van voormelde bepaling uit de ISP-cao besloten had de AMT per die maand niet langer te zullen uitkeren. Eerst dan had werknemer kunnen begrijpen dat hij rekening diende te houden met het in die cao vervatte arbitraal beding en de in dat verband geldende zeer korte beroepstermijn. Het vorenstaande betekent dat ABN AMRO een beroep op het arbitraal beding niet toekomt in deze aangelegenheid en dat de kantonrechter zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard. Volgt vernietiging van het bestreden vonnis.