Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 3 februari 2016
ECLI:NL:RBNHO:2016:722
Nederlandse Bond voor de Bouw- en Houtnijverheid/De Toekomst Schilderwerken B.V.
De Toekomst is als werkgever in het schildersbedrijf werkzaam en valt onder de werkingssfeer van de CAO voor het Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf in Nederland (hierna: de cao). Deze cao is door De Toekomst in haar arbeidsovereenkomsten geïncorporeerd. Voorts is deze cao algemeen verbindend verklaard. De cao bevat een bepaling over reisuren (art. 38). Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of artikel 6 van de individuele arbeidsovereenkomsten, waarin ten aanzien van de reisuren een van de cao afwijkende regeling is getroffen, nietig is wegens strijd met de cao.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Gelet op artikel 12 Wet CAO, kan FNV Bouw naleving van artikel 38 van de cao vorderen, ongeacht het aantal bij De Toekomst werkzame werknemers dat bij FNV Bouw is aangesloten. Op grond van artikel 14 Wet CAO kan FNV Bouw immers ook naleving van de cao vorderen ten aanzien van de niet bij FNV Bouw aangesloten werknemers. De vraag of FNV Bouw met haar vordering al dan niet een groot aantal werknemers vertegenwoordigt, kan dan ook in het midden blijven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat ook indien een cao een minimumgarantie met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden bevat en bedingen die ten gunste van de werknemer van de cao afwijken, geldig zijn, onderzocht moet worden of hetgeen ten aanzien van reisuren in de arbeidsovereenkomst bepaald gunstiger is dan het dienaangaande in de cao bepaalde. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4276. Het ligt gelet op deze uitspraak op de weg van de werkgever om op deugdelijke wijze te onderbouwen dat een reisurenregeling wordt gehanteerd die in ieder geval gelijkwaardig is aan de cao. De Toekomst heeft onvoldoende onderbouwd dat de reisurenregeling zoals door haar gehanteerd gunstiger is dan, of in ieder geval gelijkwaardig is aan de cao. Evenmin is inzichtelijk gemaakt of zich de situatie voordoet dat onder sommige omstandigheden de cao-regeling gunstiger is en onder andere omstandigheden de regeling zoals door werkgever gehanteerd. Artikel 6 van de individuele arbeidsovereenkomsten, waarin een van de cao regeling afwijkend beding ten aanzien van reisuren is opgenomen, is aan te merken als een nietig beding in de zin van artikel 12 Wet CAO.
FNV Bouw heeft gevorderd dat aan alle werknemers die bij De Toekomst werkzaam zijn, dan wel werkzaam zijn geweest, met terugwerkende kracht tot november 2009 de reisuren ingevolge artikel 38 cao worden betaald. Voor zover FNV Bouw hiermee beoogt te vorderen dat De Toekomst artikel 38 cao naleeft, komt deze vordering voor toewijzing in aanmerking. De vordering tot betaling van reisuren van een niet nader bepaald aantal werknemers over een zeer ruime periode, zal echter worden afgewezen nu deze vordering op geen enkele wijze per werknemer nader is gespecificeerd en bovendien ziet op een dermate lange periode, dat zeer wel denkbaar is dat niet alle relevante gegevens over deze periode meer bij De Toekomst voorhanden zijn. Toewijzing van een dergelijke in tijd en omvang onbepaalde vordering is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. De schadevergoeding door FNV Bouw gevorderd op grond van artikel 16 Wet CAO jo. artikel 3 lid 4 Wet AVV zal eveneens worden afgewezen. Het enkele feit dat FNV Bouw vooralsnog niet heeft kunnen bewerkstelligen dat artikel 38 cao wordt nageleefd is onvoldoende om aan te nemen dat FNV Bouw hierdoor aan wervingskracht heeft ingeboet, dan wel reputatieschade heeft opgelopen.