Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 15 april 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:2782
werkneemster/In Zorg en Advies B.V.
Bij inleidend processtuk wordt werkneemster geacht te hebben verzocht het haar gegeven ontslag van 30 augustus 2015 als nietig aan te merken. Het verweer van In Zorg en Advies strekt tot niet-ontvankelijkverklaring, althans tot afwijzing van de vordering.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het geschil tussen partijen betreft het op 30 augustus 2015 per 31 augustus 2015 aan werkneemster door In Zorg en Advies gegeven ontslag. Ten onrechte heeft de gemachtigde van werkneemster bij brief van 24 september 2015 namens werkneemster de nietigheid van het per 31 augustus 2015 aan werkneemster gegeven ontslag ingeroepen en zich daarbij gebaseerd op wettelijke bepalingen die inmiddels oud recht betreffen en niet (meer) van toepassing zijn op de onderhavige zaak. Op grond van artikel 7:686a lid 4 onderdeel a onder 2 BW is de vervaltermijn gaan lopen op de dag nadat de arbeidsovereenkomst door In Zorg en Advies per 31 augustus 2015 is beëindigd en die vervaltermijn is geëindigd op 1 november 2015. De bij dagvaarding van 10 december 2015 als verzoek te beschouwen vordering tot aantasting van deze beëindiging van de arbeidsovereenkomst is pas na drieënhalve maand, derhalve niet op tijd gedaan. De gemachtigde van werkneemster heeft tijdens de mondelinge behandeling nog naar voren gebracht dat hij tijdens de schikkingsonderhandelingen die partijen hebben gevoerd de zaak niet op de spits wilde drijven door een procedure aanhangig te maken en verzocht deze omstandigheid mee te wegen bij de beoordeling van de vervaltermijn. De kantonrechter acht deze omstandigheid echter niet zodanig uitzonderlijk dat de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 2 BW meebrengen dat in deze zaak aan de dwingendrechtelijke vervaltermijn voorbij gegaan moet worden. Het is bovendien vaste jurisprudentie dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dit geldt voor het eventueel buiten toepassing laten van een vervaltermijn des te meer, gelet op het belang van de rechtszekerheid dat speelt bij vervaltermijnen. Werkneemster wordt niet-ontvankelijk verklaard.