Naar boven ↑

Rechtspraak

ondernemingsraad Koninklijke Fabriek Inventum/Koninklijke Fabriek Inventum
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 12 januari 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:380

ondernemingsraad Koninklijke Fabriek Inventum/Koninklijke Fabriek Inventum

Besluit tot verplaatsing werkzaamheden met ontslag als gevolg waarbij ontslagvergoeidng van C=1,5 naar Transitievergoeding 1,35 gaat, onvoldoende gemotiveerd (eerder werd ondernemingsraad T=2 voorgehouden).

De onderneming van KFI richt zich op de ontwikkeling en verkoop van interieurproducten voor vliegtuigcabines, waaronder ovens, waterkokers en dergelijke. Bij KFI zijn, althans waren ten tijde van indiening van het verweerschrift, ongeveer 164 werknemers in dienst en werken ongeveer 16 uitzendkrachten. KFI maakt deel uit van het Amerikaanse beursgenoteerde concern B/E Aerospace Inc. Bij een eerdere reorganisatie is met de vakbonden een sociaal plan overeengekomen met een ontslagvergoeding C=1,5. Op 31 maart 2015 heeft KFI aan de ondernemingsraad advies gevraagd over de voorgenomen besluit om - kort gezegd - de spare parts-businessunit te verplaatsen naar de Filipijnen en de Europese leveranciers ‘verder te lokaliseren naar Low Cost Countries’. Als beweegreden voor het besluit noemt de adviesaanvraag dat het besluit zal leiden tot een significante kostenreductie die nodig is in de concurrerende markt waarin KFI actief is. De ondernemingsraad heeft bij conceptbesluit positief geadviseerd onder de voorwaarde dat er een nieuw sociaal plan komt (de vorige was inmiddels verstreken). Omdat KFI geen overeenstemming bereikt en hooguit 1,35 transitievergoeding bereid is te betalen, adviseert de ondernemingsraad uiteindelijk negatief.

De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. In aanmerking genomen dat de verplaatsing van de spare parts-activiteiten en daarmee de beëindiging van de desbetreffende arbeidsovereenkomsten zal plaatsvinden geruime tijd na 1 juli 2015 en gelet op de invoering van de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015, kan niet gezegd worden dat de door KFI getroffen voorziening als vermeld in de brief van 3 september 2015, die substantieel hoger is dan de wettelijke transitievergoeding, op zichzelf de toets van artikel 26 lid 4 WOR niet kan doorstaan. De omstandigheid dat KFI financieel gezond is, maakt dat niet anders.

Omdat de ondernemingsraad in zijn advies uitdrukkelijk heeft gerefereerd aan de op 9 juni 2015 toegezonden ontslagregeling, aan het feit dat KFI een daarmee vergelijkbaar voorstel van de vakorganisaties (een transitievergoeding maal 2) niet heeft aanvaard en heeft gesteld dat KFI die onderhandelingen heeft gefrustreerd door een lager bod te doen dan de op 9 juni 2015 aan de ondernemingsraad aangeboden ontslagregeling, kon KFI er niet mee volstaan in haar besluit te stellen dat het in de brief van 3 september 2015 genoemde pakket ‘eerlijk en waardig’ is. Het ging immers niet (slechts) om de vraag of de regeling op zich zelf beschouwd redelijk is, maar het kwam er, gelet op het advies van de ondernemingsraad, vooral op aan hoe die regeling zich verhoudt tot de gang van zaken gedurende het adviestraject en in het bijzonder tot de op 9 juni 2015 toegezonden ontslagregeling. De in artikel 25 lid 5 WOR opgenomen verplichting van de ondernemer om, indien het advies van de ondernemingsraad niet of niet geheel is gevolgd, aan de ondernemingsraad mede te delen waarom van dat advies is afgeweken, houdt in de geschetste omstandigheden van dit geval in dat KFI in het besluit had moeten toelichten waarom zij zich niet (langer) geroepen voelde aan de desbetreffende werknemers een regeling aan te bieden die (materieel) overeenstemt met de regeling zoals op 9 juni 2015 aan de ondernemingsraad voorgespiegeld. Uit het bovenstaande volgt dat het bezwaar van de ondernemingsraad dat het besluit met betrekking tot de maatregelen met het oog op de personele gevolgen onvoldoende is gemotiveerd, gegrond is.