Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Maatschappelijke Dienstverlening Zaanstreek/Waterland
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26 april 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:1648

werkneemster/Stichting Maatschappelijke Dienstverlening Zaanstreek/Waterland

Kennelijk onredelijke opzegging, nu een onvoldoende zorgvuldige procedure tot herplaatsing is gevoerd na de reorganisatie. Schadeberekening.

Werkneemster is op 5 juni 2001 bij de Stichting Maatschappelijke Dienstverlening Zaanstreek/Waterland (hierna: de Stichting) in dienst getreden als maatschappelijk werkster. De Stichting heeft aan het UWV verzocht een vergunning te verlenen om de arbeidsovereenkomst met werkneemster op te zeggen. Aan dit verzoek is ten grondslag gelegd dat wegens bedrijfseconomische gronden de functie van werkneemster is komen te vervallen, dat er een reductie op de arbeidsplaatsen dient plaats te vinden en dat de Stichting geen andere werkzaamheden voor werkneemster voorhanden heeft. Het UWV heeft de ontslagvergunning verleend, waarna de arbeidsovereenkomst met werkneemster is opgezegd tegen 1 juni 2014. Werkneemster vordert een verklaring voor recht dat het door de Stichting aan haar gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. Verder vordert zij onder meer de Stichting te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen. De kantonrechter heeft de vorderingen van werkneemster afgewezen. Tegen dit vonnis komt werkneemster in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. Werkneemster betoogt dat de kantonrechter heeft miskend dat de functies maatschappelijk werker en sociaal werker 1 onderling uitwisselbaar zijn. Wat hier ook van zij, vastgesteld kan worden dat zij aan deze stelling noch in eerste aanleg noch in hoger beroep enige juridisch relevante conclusie heeft verbonden. De betreffende stelling komt immers eerst relevantie toe indien de Stichting in het kader van de opzegging van de arbeidsovereenkomst met werkneemster het afspiegelingsbeginsel dan wel het anciënniteitsbeginsel zou hebben geschonden. Een dergelijke stelling heeft werkneemster echter niet betrokken, laat staan feitelijk onderbouwd. Werkneemster wordt wel gevolgd in haar stelling dat de Stichting zich niet aan de herplaatsingsprocedure heeft gehouden. Hoewel de Stichting als werkgever in beginsel de ruimte had om na een toetsingsprocedure als neergelegd in het sociaal plan de naar haar oordeel meest geschikte kandidaat in aanmerking te brengen voor een functie, kan in dit geval in redelijkheid niet worden volgehouden dat ten aanzien van werkneemster een zorgvuldige toetsingsprocedure is doorlopen. Onduidelijk is gebleven over welke informatie het MT, dat de geschiktheid van werkneemster voor de functie van sociaal werker 1 diende te beoordelen, precies beschikte, maar daartoe behoorde in ieder geval niet een min of meer compleet personeelsdossier. Voorts is de door de Stichting ingezette psychologe ter toetsing en advisering over de vereiste competenties op zodanige wijze onzorgvuldig te werk gegaan dat het tuchtorgaan van haar beroepsgroep niet alleen over deze handelwijze de staf heeft gebroken, maar zelfs heeft geoordeeld dat de gebruikte methode ondeugdelijk is. Dat laatste komt voor risico van de Stichting. Daarmee moet worden vastgesteld dat de door de Stichting bij het UWV aangevoerde grond voor de opzegging ondeugdelijk was onderbouwd. Dat maakt het ontslag als zodanig niet kennelijk onredelijk vanwege een valse of voorgewende reden, maar wél vanwege de aan die opzegging voorafgaande onzorgvuldige besluitvorming. Het ontslag had op de aangevoerde gronden niet mogen plaatsvinden. Het hof zal geen herstel van de arbeidsovereenkomst gelasten, nu de functie van werkneemster is komen te vervallen en er ook geen formatieruimte bestaat om werkneemster wederom in dienst te nemen. Voor de berekening van de schade zal het hof uitgaan van de door werkneemster becijferde bedragen, nu deze bedragen niet door de Stichting zijn bestreden. Voor de berekening van de schade moet bovendien worden uitgegaan van een aanspraak op volledig salaris ook over de periode na 23 december 2015, zijnde de datum waarop werkneemster twee jaar arbeidsongeschikt was. Uit de stukken valt immers af te leiden dat de arbeidsongeschiktheid van werkneemster nauw samenhangt met de omstandigheid dat zij haar baan heeft verloren en de wijze waarop dat is geschied. De situatie van arbeidsongeschiktheid zou zich dus niet hebben voorgedaan indien het ontslag wordt ‘weggedacht’. Volgt veroordeling van de Stichting tot betaling van €24.500 aan schadevergoeding.