Rechtspraak
werknemer/werkgeefster
Werknemer is met ingang van 15 november 2011 in dienst getreden van werkgeefster in de functie van medewerker bediening. Op 31 december 2015 heeft werknemer aan een tafel met circa zestien gasten een opmerking gemaakt die tot een klacht van deze gasten heeft geleid. Rond sluitingstijd heeft een woordenwisseling plaatsgevonden tussen werknemer en de dochter van de vennoten van werkgeefster. De discussie ging over voornoemd voorval. Diezelfde dag is werknemer op staande voet ontslagen. Werknemer verzoekt onder meer voor recht te verklaren dat het gegeven ontslag op staande voet nietig is. Werkgeefster verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer (voorwaardelijk) te ontbinden.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De onverwijlde mededeling van het ontslag heeft plaatsgevonden door middel van een sms-bericht. In dat bericht wordt werknemer in hoofdzaak verweten dat hij zich ongepast gedragen zou hebben tegen een groep van circa 16 gasten. Partijen hebben een verschillende lezing over hetgeen werknemer tegen die gasten gezegd zou hebben. Zowel de versie van werknemer als de versie van werkgeefster rechtvaardigt op zichzelf genomen niet het ontslag op staande voet. Volgens werkgeefster is het ontslag op staande voet gegeven op grond van het agressieve gedrag van werknemer jegens de vennoten en met name jegens hun dochter toen hij door hen werd aangesproken op zijn gedrag tegenover de groep van 16 gasten. Werkgeefster stelt dat werknemer daarbij agressief is geworden, dat hij heeft geschreeuwd, dat hij de dochter tegen haar borsten heeft geduwd, dat hij met zijn hoofd tegen het hoofd van de dochter aan is gaan staan en dat hij heeft gedreigd haar te slaan. Een en ander dient echter buiten beschouwing te worden gelaten omdat uit het sms-bericht niet blijkt dat deze gedragingen op zichzelf genomen ook aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd. Overigens zijn eerdere waarschuwingen niet komen vast te staan. Op grond van het voorgaande zal het verzochte, waarin de kantonrechter een beroep op het bepaalde in artikel 7:681 BW leest, worden toegewezen. De kantonrechter vernietigt derhalve de opzegging van de arbeidsovereenkomst.
Met betrekking tot de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst oordeelt de kantonrechter als volgt. Werkgeefster onderbouwt het verzoek tot ontbinding met het betoog dat verdere samenwerking met werknemer niet meer mogelijk is op grond van hetgeen op 31 december 2015 is gebeurd. Werkgeefster stelt dat werknemer zich in het verleden vaker schuldig heeft gemaakt aan incorrect gedrag jegens gasten en agressief gedrag jegens haar werknemers en haar vennoten. De kantonrechter leidt uit het betoog van werkgeefster af dat zij zowel een beroep doet op de e-grond als op de g-grond. Dat er op 31 december 2015 een voorval heeft plaatsgevonden waardoor partijen niet meer verder met elkaar kunnen samenwerken staat vast. Dit is door werknemer ter zitting ook bevestigd. Onduidelijk is gebleven wat er die avond precies is gebeurd. Dat werknemer zich zodanig heeft gedragen dat sprake is van verwijtbaar handelen is derhalve niet komen vast te staan. Omdat tussen partijen verder niet in geding is dat sprake is van een verstoorde verstandhouding ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op basis van de g-grond. Omdat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van werknemer, wordt werkgeefster veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding aan werknemer.