Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 10 mei 2016
ECLI:NL:RBNHO:2016:3837
werkgeefster/werknemer
Werknemer is sinds 1989 in dienst. Laatstelijk is hij werkzaam in de functie verkoopleider. Werkgeefster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW, subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW. Daartoe wordt het volgende aangevoerd. Op 5 december 2015 was X in het bedrijfspand aanwezig. Zij werd door twee personen geïnformeerd dat werknemer bij verkoop van een auto contante betalingen had aangenomen, die niet zijn verantwoord in een kasboek en ook anderszins niet zijn terug te vinden in de administratie. Na onderzoek bleek dat werknemer zich vaker schuldig maakte aan deze handelwijze. In verband met de verklaringen en bevindingen heeft werkgeefster werknemer uitgenodigd voor een gesprek. Werknemer heeft geen verklaring gegeven voor de bevindingen van werkgeefster. De conclusie is dan ook dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal dan wel verduistering in dienstbetrekking, waardoor de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden. Ten aanzien van de subsidiair aangevoerde grond (verstoorde arbeidsrelatie) wordt gesteld dat werknemer werd gezien als een leidinggevende die een angstcultuur creëerde onder het personeel, waardoor een zeer onprettige werksfeer werd ervaren. Gelet op de houding van werknemer is sprake van een onhoudbare situatie. Het verweer van werknemer strekt primair tot niet-ontvankelijkverklaring/afwijzing van het verzoek.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het verweer van werknemer dat de akte tot rectificatie, die door werkgeefster is ingediend als zelfstandig verzoek dient te worden beschouwd en dat dit stuk niet aan de formele vereisten die aan een verzoekschrift moeten worden gesteld voldoet, wordt niet gevolgd. Ook het verweer dat sprake is van een niet rechtsgeldig genomen bestuursbesluit tot het voeren van processen gericht op beëindiging van de arbeidsovereenkomst met werknemer wordt niet gevolgd. Naar het oordeel van de kantonrechter is de gestelde e-grond – diefstal en/of verduistering omdat werknemer contant geld niet zou hebben afgedragen – niet komen vast te staan, gelet op het gemotiveerde verweer van werknemer. Nu werkgeefster uitdrukkelijk vasthoudt aan deze grond voor haar primaire verzoek, zal zij overeenkomstig haar bewijsaanbod in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat werknemer zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal en/of verduistering. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.