Naar boven ↑

Rechtspraak

Kraanverhuur B.V./werknemer
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 31 mei 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:2143

Kraanverhuur B.V./werknemer

Vervaltermijn. Voor het geval de gemachtigde van werknemer niet in de gaten had dat de overeenkomst nogmaals (voorwaardelijk) was opgezegd, had dat met de ontvangst van het verzoekschrift tot ontbinding duidelijk moeten zijn geweest. Op dat moment was er nog ruimschoots de tijd om binnen de vervaltermijn een beroep te doen op de nietigheid.

Werknemer is op 15 augustus 2005 bij werkgever in dienst getreden als monteur. Op 18 of op 19 maart 2014 heeft werknemer zich ziek gemeld. Na een bezoek aan de bedrijfsarts op 16 februari 2015 heeft de bedrijfsarts aan partijen laten weten werknemer arbeidsgeschikt te achten. Werkgever heeft vervolgens een ontslagvergunning bij het UWV aangevraagd. Op 11 maart 2015 heeft werknemer een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV met betrekking tot de hersteldverklaring van de bedrijfsarts. Op 30 april 2015 heeft het UWV een ontslagvergunning verstrekt. Werkgever heeft de arbeidsovereenkomst met een brief van 7 mei 2015 opgezegd tegen 30 juni 2015. Bij brief van 23 juni 2015 heeft het UWV een deskundigenoordeel verstrekt, waaruit blijkt dat de bedrijfsarts werknemer op 16 februari jl. ten onrechte arbeidsgeschikt heeft geacht. Werknemer doet een beroep op de nietigheid van de opzegging. Bij brief van 26 juni 2015 heeft werkgever de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk opgezegd tegen 31 juli 2015. De Kantonrechter Tilburg heeft het voorwaardelijk ontbindingsverzoek afgewezen. Vervolgens wordt een procedure in eerste aanleg gestart. Bij het bestreden vonnis wordt werkgever veroordeeld om het loon te betalen vanaf 1 juli 2015. Werkgever gaat in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. De grieven 1 en 2 hebben betrekking op de vraag of sprake was van een opzegverbod wegens ziekte. Uit artikel 7:670 lid 1 (oud) BW volgt dat er een opzegverbod gold indien werknemer op 4 maart 2015 (ontvangst aanvraag ontslagvergunning) wegens ziekte ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid én hij op 7 mei 2015 (opzeggingsbrief) eveneens wegens ziekte ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Het hof oordeelt of het aannemelijk is dat werknemer op beide data wegens ziekte ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Werknemer heeft hiervoor verwezen naar producties die hij bij memorie van antwoord in het geding heeft gebracht. Het hof verwijst de zaak naar de rol om werkgever in de gelegenheid te stellen te reageren op die producties. Indien het hof tot het oordeel komt dat werknemer op beide data ongeschikt was om zijn arbeid te verrichten, zal het hof moeten beoordelen of werknemer ook na 1 augustus 2015 nog recht heeft op loon. Werkgever heeft aangevoerd dat werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 26 juni 2015 tegen 31 juli 2015 niet heeft vernietigd, zodat aan de arbeidsovereenkomst in ieder geval een einde is gekomen op 1 augustus 2015. Het hof is voorshands van oordeel dat de brief van de gemachtigde van werknemer van 26 juni 2015 niet geacht kan worden tevens te zijn gericht tegen de (voorwaardelijke) opzegging van 26 juni 2015. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid brengt niet mee dat werkgever geen beroep toekomt op de vervaltermijn. In de brief van de gemachtigde van werknemer wordt uitdrukkelijk een beroep gedaan op de nietigheid van de opzegging tegen 1 juli 2015. Dat kan ook niet anders, omdat de (voorwaardelijke) opzegging van 26 juni 2015 werknemer nog niet kon hebben bereikt. Het hof ziet echter niet in waarom werkgever uit de brief van 26 juni 2016 van de gemachtigde van werknemer moest begrijpen dat werknemer ook op zou komen tegen de (voorwaardelijke) opzegging op 26 juni 2015. Werknemer werd bijgestaan door een jurist die geacht moet worden op de hoogte te zijn van de vervaltermijn. Voor het geval de gemachtigde van werknemer niet in de gaten had dat de overeenkomst nogmaals (voorwaardelijk) was opgezegd, had dat met de ontvangst van het verzoekschrift tot ontbinding duidelijk moeten zijn geweest. Op dat moment was er nog ruimschoots de tijd om binnen de vervaltermijn een beroep te doen op de nietigheid. Dat betekent naar het voorlopig oordeel van het hof dat het loon hooguit tot 1 augustus 2015 verschuldigd kan zijn. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.