Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 21 juni 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:2432
werknemer/NV Waterleiding Maatschappij Limburg
Werknemer is op 1 januari 1992 bij WML in dienst getreden, laatstelijk was hij werkzaam als Manager Registergoederen. Werknemer heeft 21 percelen (in totaal 58 ha groot) verkocht aan X Beleggingen voor € 115.003. De waarde van deze percelen is berekend op een bedrag van € 1.286.232 (lage schatting) tot € 2.140.951 (hoge schatting). De bedrijfsrecherche heeft onderzoek gedaan en vastgesteld dat werknemer zeer waarschijnlijk betrokken was bij doorverkoop van de percelen. De arbeidsovereenkomst is ontbonden. Bij vonnis van 28 maart 2012 heeft de Rechtbank Roermond in voormelde procedure voor recht verklaard dat de koopovereenkomst van 24 december 2007 en de notariële akte tussen WML enX Beleggingen van 25 februari 2008 nietig zijn, met machtiging van WML om over te gaan tot (terug)levering van de in het vonnis genoemde percelen en met veroordeling van X Beleggingen om aan WML een bedrag te betalen van € 124.497 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2008. Dit vonnis is bekrachtigd bij arrest van het hof te ‘s‑Hertogenbosch van 22 oktober 2013. Tegen dit arrest is geen cassatie ingesteld. In deze procedure vordert WML vergoeding van schade van werknemer. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen.
Het hof oordeelt als volgt. De werknemer die op grond van het bepaalde in artikel 7:661 lid 1 BW aansprakelijk is voor door hem in de uitoefening van zijn arbeidsovereenkomst veroorzaakte schade is in beginsel binnen de grenzen van artikel 6:98 BW aansprakelijk voor alle schade die de benadeelde als gevolg van de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis lijdt, dus ook de (redelijke) kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Die kunnen ook voor vergoeding in aanmerking komen wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden ten gevolge van de verkoop van onderhavige percelen. Wel moet dan komen vast te staan dat de werknemer aansprakelijk is voor de gevolgen van het verweten handelen. De kosten dienen voorts als gevolg van het aansprakelijkheid scheppende handelen te zijn gemaakt (sine-qua-non-verband) en zij dienen tevens in een zodanig verband met dit handelen te staan dat zij mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend (vgl. HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423; vgl. ook HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586). Aan aansprakelijkheid voor de gevolgen van het verweten handelen kan niet afdoen dat WML is hersteld in haar vermogenspositie zoals die was vóórdat de verweten handelingen hadden plaatsgevonden. De omstandigheid dat de waarde van de percelen/het pakket percelen hoger is ingeschat dan de koopsom waarvoor werknemer het pakket aan X Beleggingen heeft verkocht betekent evenwel nog niet dat werknemer jegens WML aansprakelijk is. Als gezegd is voor aansprakelijkheid vereist dat werknemer opzettelijk dan wel bewust roekeloos heeft gehandeld. Gezien het voorgaande en mede in het licht van het betoog van werknemer dat hij de verkoopprijs van het pakket percelen op € 500.000 minder dan de waarde van het pakket heeft gesteld, omdat hij de sloopkosten van bebouwing, die met de verkoop van het pakket op X Beleggingen zijn komen te rusten, daarop in mindering heeft gebracht, terwijl WML de sloopkosten intern op € 600.000 had begroot, en het betoog van werknemer dat hij de bos- en landbouwpercelen niet te hoog heeft gewaardeerd om X Beleggingen tot koop van het pakket inclusief de bebouwde percelen met de daaraan verbonden sloopkosten te bewegen, kan vooralsnog niet worden aangenomen dat sprake is van opzettelijke dan wel bewust roekeloze benadeling van WML door werknemer. WML kan ook niet bewijzen dat werknemer voordeel heeft genoten van de verkoop.
Volgt aanhouding van de zaak voor nadere bewijsvoering WML.