Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 12 juli 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:2814
werknemer/DSM NV
Werknemer is in 1962 in dienst getreden bij de NV Nederlandse Staatsmijnen. De rechten en verplichtingen uit die arbeidsovereenkomsten met de werknemers van de NV Nederlandse Staatsmijnen, waaronder die van werknemer, zijn per 15 mei 1975 overgenomen door DSM Limburg BV. Werknemer is met ingang van 1 april 1996 op eigen verzoek ontslagen uit de dienst van DSM Limburg BV. Bij werknemer is in 2010 de longaandoening asbestose geconstateerd. De advocaat van werknemer heeft in een brief van 24 september 2011 DSM NV aansprakelijk gesteld voor de schade die werknemer lijdt ten gevolge van zijn asbestaandoening. DSM NV stelt zich op het standpunt dat deze zaak is verjaard. Werknemer vordert een verklaring voor recht dat DSM NV verwijtbaar tekort is geschoten en daardoor jegens hem schadeplichtig is geworden en DSM NV te veroordelen tot vergoeding van materiële en immateriële schade. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer afgewezen. Tegen dit vonnis komt werknemer in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. In de onderhavige procedure heeft werknemer de moedermaatschappij, DSM NV, van zijn voormalig werkgever, DSM Limburg BV, gedagvaard. Tussen partijen is niet in geschil dat DSM NV zelf nooit de werkgever van werknemer is geweest. Van onduidelijkheid over de vraag welke vennootschap binnen het concern als zijn voormalig werkgever moet worden aangemerkt, is derhalve in hoger beroep geen sprake. Werknemer had DSM Limburg BV moeten dagvaarden. Werknemer voert onterecht aan dat hij op grond van de door DSM NV opgewekte schijn ervan uit mocht gaan dat DSM NV de door hem in rechte aan te spreken wederpartij is. Daartoe wordt het volgende overwogen. De advocaat van werknemer heeft zich uit eigen beweging op 24 september 2011 gewend tot DSM Insurances B.V. Hoewel hij zich in de volgende vier brieven is blijven richten tot DSM Insurance B.V., is de correspondentie met hem vanaf 4 november 2011 gevoerd door DSM Legal Affairs in de persoon van advocaat X. Advocaat X heeft twee brieven en twee e-mails aan hem toegezonden. Overige correspondentie door advocaat X is niet gesteld en daarvan is ook niet gebleken. De twee brieven van advocaat X zijn weliswaar afgedrukt op briefpapier van DSM N.V. en door haar ondertekend met ‘Advocaat Koninklijke DSM N.V.’, maar – zoals tussen partijen vaststaat: – DSM N.V. is nooit werkgever van werknemer geweest. Gelet op het gemotiveerde betoog van DSM N.V. dat advocaat X als advocaat voor haar en haar dochterondernemingen werkzaam is, is de enkele vermelding van DSM N.V. op het briefpapier en in de ondertekening door advocaat X onvoldoende voor het oordeel dat werknemer er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat DSM N.V. in de gegeven omstandigheden de door hem in rechte aan te spreken vennootschap zou zijn. Daarbij is van belang dat op werknemer, die zich in voornoemde brieven is blijven richten tot DSM Insurance B.V. en kennelijk wist dat die vennootschap niet zijn werkgever was, uit het op 4 november 2011 aan hem toegezonden personeelsdossier had kunnen en moeten weten dat hij per 1 april 1996 uit dienst is gegaan van DSM Limburg B.V. en die vennootschap dus door hem bij dagvaarding van 12 juli 2013 of daarna in rechte had moeten of moet worden betrokken. Op werknemer, die werd bijgestaan door een professioneel gemachtigde, rustte in zoverre een zekere onderzoeksplicht en gesteld noch gebleken is dat hij daaraan heeft voldaan. Van enige (andere) verklaring of gedraging van DSM N.V. op grond waarvan werknemer heeft kunnen of mogen afleiden dat zij enige aansprakelijkheid jegens hem op zich zou nemen en/of de door hem in rechte aan te spreken schuldenaar zou (kunnen) zijn, is in zijn geheel niet gebleken. Uit het voorgaande volgt dat de door werknemer gestelde feiten en omstandigheden niet tot het oordeel leiden dat aan de eis van gerechtvaardigd vertrouwen is voldaan. Voor zover werknemer heeft bedoeld te stellen dat sprake is van één concern, zodat het enkele feit dat de dagvaarding is gericht aan DSM N.V. geen reden is om te concluderen dat de vordering tegen de onjuiste werkgever zou zijn gericht, kan het betoog niet slagen. De opvatting dat werknemer in de gegeven omstandigheden de keus heeft om in plaats van zijn voormalig werkgever haar moedermaatschappij in rechte te betrekken, vindt geen steun in het recht (vgl. conclusie A-G (nr. 2.6) bij HR 19 november 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR2388). Volgt afwijzing van de vorderingen van werknemer.