Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 20 april 2016
ECLI:NL:RBNNE:2016:1913
werknemer/CRH Structural Concrete B.V.
Werknemer is op 1 april 2008 in dienst getreden bij CRH Structural Concrete B.V. (hierna: CRH). In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat het werknemer niet is toegestaan om, zonder voorafgaande toestemming van CRH, nevenactiviteiten te verrichten. Op 19 november 2015 is werknemer geschorst. Onder meer na onderzoek van Hoffmann Bedrijfsrecherche van 27 november 2015 tot 4 december 2015 is gebleken dat de partner van werknemer als enig aandeelhouder van HACO B.V. aandeelhouder is van NVB/BMN. Ook is tijdens het onderzoek vastgesteld dat werknemer actief betrokken is bij NVB, BMN en Concrete People. Het onderzoeksbureau heeft vastgesteld dat hiermee sprake is van ongeoorloofde nevenactiviteiten en belangenverstrengeling. Bij brief van 15 december 2015 heeft CRH werknemer daarop op staande voet ontslagen. Werknemer verzoekt het ontslag op staande voet te vernietigen. Voorts verzoekt werknemer betaling van loon over de periode van 19 november 2015 tot 15 december 2015.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van de feiten komt de kantonrechter tot zijn oordeel dat werknemer CRH een dringende reden heeft gegeven hem op staande voet te ontslaan. De vastgestelde feiten leveren het beeld op dat werknemer in zijn eigen belang zich heeft beziggehouden met andere ondernemingen dan CRH en daarvoor is betaald met een (management)fee. Dat op zich levert al overtreding op van het verbod op nevenactiviteiten in de arbeidsovereenkomst en een dringende reden, omdat werknemer als geen ander – hij was de baas van de locatie Veenoord – behoorde te weten dat nevenactiviteiten zonder toestemming niet zijn toegestaan, terwijl hij dat ook wist, getuige een eerder gevraagde toestemming voor deelname in Concrete People. Doordat na een halfjaar die toestemming werd ingetrokken moest het werknemer temeer duidelijk zijn dat CRH geen belangenverstrengeling wilde. Het verloop van het gesprek met twee werknemers van Hoffmann Bedrijfsrecherche op 19 november 2015 leert de kantonrechter dat werknemer erg goed wist dat hij fout zat en heeft geprobeerd zijn betrokkenheid bij andere ondernemingen te verdoezelen. De kantonrechter gelooft dat het gesprek voor werknemer onverwacht is gekomen, maar stelt vast dat werknemer het wel gedurende bijna drie uren heeft gevoerd. Dan is er gelegenheid te over geweest voor werknemer om zich uit het gesprek terug te trekken, wat hij niet heeft gedaan. Ook heeft werknemer het gespreksverslag ondertekend. Omdat het gesprek lang heeft geduurd en zich heeft ontwikkeld van eerst ontkenning naar vervolgens erkenning hecht de kantonrechter er veel waarde aan. Ook de inhoud van overgelegde whatsappberichten tonen de ongeoorloofde nevenactiviteiten en belangenverstrengeling aan. Voorts is het ontslag op staande voet onverwijld medegedeeld. De kantonrechter is van oordeel dat CRH voldoende voortvarend heeft gehandeld. Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet dan ook rechtsgeldig. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag wordt afgewezen. Dat brengt de kantonrechter tot een overweging over de inhouding van het salaris van werknemer tijdens de schorsing van 19 november 2015 tot 15 december 2015. Voor de inhouding van salaris tijdens een schorsing is een contractuele grondslag nodig. Omdat naar het oordeel van de kantonrechter een voldoende contractuele grondslag ontbreekt, kon CRH alleen gebruik maken van de mogelijkheid disciplinaire straffen op te leggen die de overeengekomen arbeidsvoorwaarden onaangetast laten. In het arrest Van der Gulik/Vissers & Partners heeft de Hoge Raad beslist dat een schorsing een oorzaak voor het niet verrichten van de bedongen werkzaamheden is die in de risicosfeer van de werkgever valt. Volgt toewijzing van het verzoek tot veroordeling van CRH tot betaling van loon over voornoemde periode.