Naar boven ↑

Rechtspraak

CRH Structural Concrete B.V./werknemer
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 20 april 2016
ECLI:NL:RBNNE:2016:1914

CRH Structural Concrete B.V./werknemer

Werkgever heeft belang bij voorwaardelijke ontbinding, daar werknemer de mogelijkheid heeft om rechtsmiddelen aan te wenden tegen eerdere beschikking (zie AR 2016-0793), waardoor kan komen vast te staan dat ontslag op staande voet toch niet terecht is geweest. Toewijzing ontbindingsverzoek (e-grond).

Werknemer is op 1 april 2008 in dienst getreden bij CRH Structural Concrete B.V. (hierna: CRH). In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat het werknemer niet is toegestaan om, zonder voorafgaande toestemming van CRH, nevenactiviteiten te verrichten. Op 19 november 2015 is werknemer geschorst. Onder meer na onderzoek van Hoffmann Bedrijfsrecherche van 27 november 2015 tot 4 december 2015 is gebleken dat de partner van werknemer als enig aandeelhouder van HACO B.V. aandeelhouder is van NVB/BMN. Ook is tijdens het onderzoek vastgesteld dat werknemer actief betrokken is bij NVB, BMN en Concrete People. Het onderzoeksbureau heeft vastgesteld dat hiermee sprake is van ongeoorloofde nevenactiviteiten en belangenverstrengeling. Bij brief van 15 december 2015 heeft CRH werknemer daarop op staande voet ontslagen. CRH verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer voorwaardelijk te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen van werknemer (e-grond) dan wel vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (h-grond).

De kantonrechter oordeelt als volgt. CRH stelt belang te hebben bij de door haar gevraagde ontbinding voor het geval in rechte onherroepelijk mocht komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd door het ontslag op staande voet. In het kader van het inmiddels vervallen artikel 7:685 BW is aanvaard dat een werkgever, nadat een werknemer de nietigheid van een ontslag op staande voet heeft ingeroepen, een gerechtvaardigd belang kan hebben bij voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, namelijk voor het geval de arbeidsovereenkomst blijkt niet te zijn geëindigd door dat ontslag (HR 21 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4670, NJ 1984/296). De kantonrechter ziet geen reden om voor de verzochte ontbinding met toepassing van artikel 7:671b BW tot een ander oordeel te komen. Bij beschikking van vandaag (zie AR 2016-0793) heeft de kantonrechter geoordeeld dat het door CRH aan werknemer op 15 december 2015 op staande voet gegeven ontslag rechtsgeldig is geweest. Aangezien werknemer de mogelijkheid heeft om rechtsmiddelen aan te wenden tegen laatstgenoemde beschikking, heeft CRH belang bij haar onderhavige verzoek omdat na hoger beroep, cassatie en verwijzing na cassatie kan komen vast te staan dat het ontslag op staande voet niet terecht is geweest. CRH heeft belang om nu – en niet pas wanneer het geschil oud en belegen is geworden en na toepassing van artikel 7:683 lid 3 en 4 BW – een oordeel van de kantonrechter te krijgen over het geschil onder wegdenking van het ontslag op staande voet. 

Naar het oordeel van de kantonrechter bestaat er een redelijke grond voor ontbinding, als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW, om welke reden herplaatsing van werknemer niet in de rede ligt. Als in de beschikking van vandaag (AR 2016-0793) ten aanzien van de dringende reden in het kader van het ontslag op staande voet is overwogen, valt naar het oordeel van de kantonrechter ook in dit verzoek uit de vaststaande feiten af te leiden dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer. Voor de verdere motivering verwijst de kantonrechter naar wat in die beschikking is overwogen. De slotsom is dat de kantonrechter het (voorwaardelijk) verzoek van CRH op de primaire grondslag zal toewijzen. Omdat naar het oordeel van de kantonrechter sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door werknemer, zal de kantonrechter overeenkomstig het verzoek van CRH met toepassing van artikel 7:671b lid 8 onderdeel b BW de ontbindingsdatum bepalen op 1 mei 2016. Vanwege het ernstig verwijtbaar handelen van werknemer ziet de kantonrechter geen aanleiding om aan werknemer de transitievergoeding, laat staan een billijke vergoeding, toe te kennen.