Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ASR Schadeverzekering NV
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 13 juli 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:3838

werknemer/ASR Schadeverzekering NV

Astbestzaak. Verjaring. De aansprakelijkheid van artikel 7:658 BW laat zich moeilijk denken in een geval als het onderhavige dat erdoor wordt gekenmerkt dat de werknemer, die tevens de hoedanigheid van feitelijk leidinggevende heeft, zijn werkgever aansprakelijk houdt voor schade die hij heeft geleden doordat niet de redelijkerwijs van deze te vergen veiligheidsmaatregelen zijn getroffen.

Werknemer is van 1 juli 1968 tot 5 januari 1977 in dienst geweest bij zijn vader, die een loodgietersbedrijf exploiteerde. Op 5 januari 1977 hebben werknemer en zijn vader X BV opgericht. Werknemer is sinds 1978 directeur-grootaandeelhouder van X BV. In 1982 heeft X BV met ASR een aansprakelijkheidsverzekering gesloten. In 2012 is bij werknemer de diagnose longvlieskanker gesteld. Werknemer vordert onder meer een verklaring voor recht dat ASR jegens werknemer aansprakelijk en schadeplichtig is voor de vanwege door asbestblootstelling veroorzaakte longvlieskanker. ASR beroept zich op verjaring, voor zover de vordering betrekking heeft op gebeurtenissen die de schade hebben veroorzaakt en voor 3 april 1982 hebben plaatsgevonden.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Wat betreft het verjaringsverweer, wordt als volgt overwogen. Eerst wordt ingegaan op de vraag of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld. Die redelijke termijn nam een aanvang toen in januari 2012 bij werknemer de diagnose mesothelioom werd gesteld. Werknemer heeft onverwijld de bemiddeling van het IAS ingeroepen en heeft spoedig daarna – op 17 maart 2012 – X BV aansprakelijk gesteld. Daarmee is de vraag niet geheel uitgewerkt, omdat ook daarna voortvarendheid diende te worden betracht bij het instellen van de rechtsvordering. De vraag is daarmee of de periode van 11 maart 2013 tot 1 oktober 2015 als een redelijke moet worden aangemerkt. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Ongeacht de verdere omstandigheden van het geval had werknemer niet ruim twee en een half jaar de tijd mogen nemen om de rechtsvordering in te stellen. Gelet op onder meer deze omstandigheid slaagt het beroep op verjaring en kan de mogelijke asbestbesmetting in de periode tot 3 april 1982 niet leiden tot een honorering van het beroep dat werknemer jegens ASR heeft gedaan op artikel 7:954 BW. Wat betreft de periode vanaf 1982 wordt als volgt overwogen. De schuldaansprakelijkheid van artikel 7:658 BW laat zich moeilijk denken in een geval als het onderhavige, dat erdoor wordt gekenmerkt dat de gelaedeerde werknemer, die tevens de hoedanigheid van feitelijk leidinggevende heeft en de hoogste beleidsbepaler van de werkgever was, zijn werkgever aansprakelijk houdt voor schade die hij heeft geleden doordat niet de redelijkerwijs van deze te vergen veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Waar ook in de prototypische arbeidsverhouding, waarin de werknemer zich heeft te richten naar de instructies die de leiding van de onderneming hem geeft, algemeen wordt aangenomen dat de werkgever geen verwijt kan worden gemaakt indien de – ervaren en geïnstrueerde – werknemer er welbewust voor kiest om geen gebruik te maken van door de werkgever ter beschikking gestelde veiligheidsvoorzieningen, klemt zulks temeer in de situatie van werknemer, die zelf in zijn kwaliteit van beleidsbepaler de werkomstandigheden bepaalde en daarop moest toezien. Anders dan in een dergelijke ondergeschiktheidsrelatie ligt het in het onderhavige geval niet in de rede om rekening te houden met het ervaringsfeit dat het dagelijks werken in een gevaarlijke werkomgeving gemakkelijk met zich kan brengen dat niet alle voorzichtigheid in acht wordt genomen die ter voorkoning van schade geraden is. Werknemer is in de periode vanaf april 1982 allengs meer kantoorwerk gaan doen en stond derhalve als directeur regelmatig op de nodige afstand van de feitelijke uitvoering van het loodgieterswerk. Bedoeld ervaringsfeit kan hij, als werknemer, daarom niet aan zichzelf, als directeur, tegenwerpen. Het zou bovendien in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid die een directeur jegens de vennootschap in acht dient te nemen, dat werknemer zijn vennootschap aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt doordat hijzelf zijn taak als bestuurder niet naar behoren heeft uitgevoerd. Nu werknemer daarom geen vordering op zijn vennootschap heeft, is ASR als verzekeraar van die vennootschap niet tot vergoeding van deze schade gehouden.