Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Treinschoon! B.V.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 juli 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:2964

werknemer/Treinschoon! B.V.

Artikel 7:686a BW-vordering transitievergoeding 'bij de kantonrechter' staat niet in de weg aan een vordering binnen drie maanden voor het eerst bij het hof (na ontbinding in eerste aanleg). Schending re-integratieverplichtingen werknemer leidt tot e-grond, maar niet tot ernstige verwijtbaarheid.

Werknemer (geboren 1984) is vanaf 1 september 2012 in dienst van Treinschoon. Werknemer is van november 2013 tot en met oktober 2014 ziek geweest. Na volledige re-integratie meldt werknemer zich in december 2014 opnieuw ziek. Werknemer geeft in een verzuimgesprek aan vooral te kampen met sociale problemen (woonproblemen, financiële problemen, omgangsregeling met dochter). Vanaf dit moment start er een heel moeizaam re-integratietraject waarin werknemer keer op keer niet thuis geeft en werkgever diverse malen tot loonsancties is overgegaan. De kantonrechter heeft uiteindelijk de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 februari 2016. Het verzoek van Treinschoon te verklaren dat de transitievergoeding niet verschuldigd is, werd afgewezen. Werknemer en Treinschoon zijn van deze beschikking in hoger beroep gekomen.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof is, met de kantonrechter, van oordeel, dat het door werknemer niet verrichten van passende arbeid verwijtbaar handelen vormt in de zin van artikel 7:669 lid 3 onder e BW, en daarmee grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst is. Dat zijn handelen aan werknemer niet zou kunnen worden verweten, zoals hij stelt, is door hem onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Het dienaangaande gedane bewijsaanbod is onvoldoende specifiek gericht op het ontbreken van verwijtbaarheid. Aan de in artikel 7:671b lid 5 BW gestelde voorwaarden is voldaan, nu Treinschoon voorafgaand aan het indienen van het ontbindingsverzoek een loonstop heeft toegepast, en Treinschoon het op 18 augustus 2015 opgestelde deskundigenoordeel heeft overgelegd. Het beroep van werknemer op de toepasselijkheid van een opzegverbod slaagt niet, nu, zoals hierboven is overwogen, van een opzegverbod geen sprake (meer) is.

Treinschoon heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 1 juni 2016 aangevoerd dat het verzoek van werknemer om toekenning van de transitievergoeding vanwege de termijnoverschrijding moet worden afgewezen. Werknemer had dit verzoek, naar mening van Treinschoon, binnen drie maanden na het einde van het dienstverband, derhalve binnen drie maanden na 1 februari 2016, dus voor 1 mei 2016, bij de kantonrechter moeten indienen. Dat is niet gebeurd, want ook op 1 juni 2016 was niet een zodanig verzoek bij de kantonrechter ingediend. Het hof verwerpt dit betoog van Treinschoon. Werknemer heeft vóór 1 mei 2016 verzocht om toekenning van de transitievergoeding, zij het bij het hof en niet bij de kantonrechter. Weliswaar rept artikel 7:686a lid 4 aanhef en onder b BW over het binnen drie maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst ‘bij de kantonrechter’ verzoeken om toekenning van de transitievergoeding, maar in de onderhavige situatie kan het werknemer niet worden tegengeworpen niet een afzonderlijk tijdig verzoek bij de kantonrechter te hebben ingediend. Daartoe dient het volgende: (1) werknemer verzocht in hoger beroep om herstel van zijn dienstbetrekking. Op dat verzoek was, op het moment dat de driemaandstermijn verstreek, nog niet beslist. Het standpunt van Treinschoon zou betekenen dat werknemer bij de kantonrechter voorwaardelijk, namelijk voor geval het hof niet zou overgaan tot herstel van de dienstbetrekking, had moeten verzoeken hem de transitievergoeding toe te kennen. Dat zou een onnodige complicatie van de procedure(s) betekenen; (2) Treinschoon is, door het werknemer toe te staan direct bij het hof te verzoeken om toekenning van de transitievergoeding, ook niet in haar processuele belangen geschaad. De vraag óf werknemer ernstig verwijtbaar had gehandeld – en daarmee: of hij aanspraak zou hebben op een transitievergoeding – was in eerste aanleg al aan de orde gesteld, door Treinschoon zelf, en door de kantonrechter in de bestreden beschikking besproken. Treinschoon heeft niet weersproken dat het bedrag van de transitievergoeding € 5.709 bruto bedraagt. Dit bedrag zal aan werknemer worden toegekend.