Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 12 juli 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:2837
werknemer/Vomar Voordeelmarkt B.V.
Werknemer (geboren 1966) is in februari 2000 in dienst getreden van Vomar in de functie van winkelmedewerker op de broodafdeling. Op 24 mei 2013 deelt Vomar aan werknemer mede dat hij per 27 mei op een ander filiaal werkzaam zal zijn. Werknemer meldt zich vervolgens ziek. Werknemer geeft geen gehoor aan herhaalde oproepen van de werkgever, ondanks aangetekende waarschuwingsbrieven van Vomar. Vanaf juni 2013 heeft Vomar de loonbetaling gestaakt. Op 1 oktober 2013 verleent UWV toestemming voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst. In de beslissing is vermeld dat Vomar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat werknemer niet heeft meegewerkt aan zijn re-integratie. Het UWV heeft aan werknemer ingaande 2 december 2013 een ziektewetuitkering toegekend. Het UWV heeft aan werknemer ingaande 25 mei 2015 een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100 procent. Volgens werknemer is de opzegging kennelijk onredelijk, omdat hij geen re-integratieverplichtingen zou hebben geschonden. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst met werknemer door Vomar kennelijk onredelijk is in de zin van het bepaalde in artikel 7:681 BW (oud), en heeft Vomar veroordeeld tot betaling aan werknemer van (1) € 1.500 ter zake van schadevergoeding voor het kennelijk onredelijk ontslag, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 2 december 2013 tot aan de dag van voldoening, en (2) het achterstallig loon van € 1.854,17 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten, over de periode van 15 juni 2013 tot en met 2 december 2013, vermeerderd met de wettelijke verhoging over dit bedrag van 50 procent en vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 2 juni 2014 tot aan de dag van voldoening en (3) de proceskosten. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep. Hij vordert een schadevergoeding van € 20.475 bruto.
Het hof oordeelt als volgt. De loonvordering is terecht toegewezen. Vanwege de psychische klachten – waarvan Vormar op de hoogte was – was het stelselmatig oproepen van werknemer te komen spreken geen redelijke opdracht. De loonstop is derhalve zonder grond opgelegd.
Vormar heeft het advies van de bedrijfsarts niet opgevolgd en werknemer ook niet meer door de bedrijfsarts laten controleren. De zogenoemde 'hersteldmelding' getuigt dan ook van onzorgvuldig werkgeverschap. Dat het UWV de verzochte ontslagvergunning heeft afgegeven maakt dit niet anders. Het is het hof niet duidelijk geworden welke adviezen aan de UWV-beslissing ten grondslag hebben gelegen. Het UWV verwijst in de beslissing wel naar ingewonnen informatie bij de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, maar adviezen van die bedrijfsarts en/of arbeidsdeskundige zijn niet bijgevoegd. De opzegging is derhalve kennelijk onredelijk.
Volgens Hoge Raad-jurisprudentie dient bij de vaststelling van de op grond van kennelijk onredelijk ontslag toe te kennen schadevergoeding rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag, waaronder de duur van de dienstbetrekking, de hoogte van het loon, de leeftijd van de werknemer, de voorzienbare schade die hij lijdt als gevolg van het verlies van zijn arbeidsplaats, de omstandigheden waaronder het ontslag is gegeven en de mate waarin het ontslag aan elk van partijen is te wijten. Werknemer heeft een dienstverband van ruim 13 jaar bij Vomar gehad en was ten tijde van het ontslag 47 jaar oud. Mede gelet op de gezondheidssituatie van werknemer was het ten tijde van het ontslag te verwachten dat het voor werknemer geruime tijd kon duren voordat hij een andere betaalde werkkring zou kunnen vinden. Tot de bijzondere omstandigheden van het ontslag rekent het hof de onzorgvuldige wijze waarop Vomar vanaf mei 2013 tegenover werknemer heeft gehandeld, alsmede de omstandigheid dat werknemer als gevolg van het ontslag een groot deel van de loondoorbetaling tijdens ziekte door Vomar is misgelopen. Het precieze bedrag van de door werknemer geleden en te lijden schade kan niet worden vastgesteld, en daarom wordt deze schade, voor zover toe te rekenen aan Vomar, geschat op € 20.000 bruto.