Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting kom Leren/X
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 19 juli 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:3105

Stichting kom Leren/X

Kwalificatievraag. De stichting is er niet in geslaagd om het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW te weerleggen en de kwalificatie ‘opdracht’ aannemelijk te maken.

Op 14 oktober 2014 hebben X en de directeur van OBS de Spiegel (hierna: de Spiegel), een ‘Overeenkomst Coördinatie Tussenschoolse Opvang’ ondertekend. Op grond van voornoemde overeenkomst heeft X als coördinator van de vrijwilligers die de tussenschoolse opvang bij de Spiegel verzorgen, werkzaamheden verricht. De Spiegel, een gevestigde basisschool, is een vestiging van Stichting kom Leren (hierna: de stichting). De directeur van de Spiegel heeft de overeenkomst met X opgezegd per 1 augustus 2015. Bij e-mailbericht van 28 augustus 2015 heeft X aan de directeur van de Spiegel medegedeeld dat de opzegging geen doel treft aangezien er tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst die niet zonder toestemming van het UWV kan worden opgezegd. X vordert onder meer de Spiegel, althans de stichting te veroordelen tot betaling aan X van het loon voor iedere maand vanaf 1 augustus 2015 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst zal zijn geëindigd. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van X toegewezen. Tegen dit vonnis komt de stichting in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. Tussen partijen is in geschil of de overeenkomst moet worden gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst dan wel als overeenkomst van opdracht. Voor het zich hier voordoende geval moet worden uitgegaan van het rechtsvermoeden dat X de arbeid heeft verricht krachtens arbeidsovereenkomst. Het is derhalve aan de stichting om dit vermoeden te weerleggen en de kwalificatie ‘opdracht’ in de zin van artikel 7:400 BW aannemelijk te maken. Ten aanzien van de tekst van de overeenkomst en de daaruit volgende partijbedoeling wordt als volgt overwogen. Weliswaar kan aan sommige woorden uit de tekst van de overeenkomst inderdaad worden ontleend dat de stichting een overeenkomst van opdracht voor ogen stond, maar de bedoeling van partijen bij de woordkeuze is niet doorslaggevend voor de beantwoording van de kwalificatievraag. Er kan sprake zijn van het verpakken van een arbeidsovereenkomst als overeenkomst van opdracht, om voor de stichting moverende reden zoals die ontleend aan het functiehuis en het ontlopen van een ontslagprocedure. De overeenkomst is niet aangegaan voor de duur van een specifieke, in tijd beperkte opdracht. Overigens kan ook een overeenkomst van opdracht worden aangegaan voor onbepaalde duur. Een opzegtermijn is bij een opdracht wel mogelijk, maar past toch zeker bij een arbeidsovereenkomst. Ook hier geldt dus dat de formulering het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet weerlegt. Voor zover partijen in hun overeenkomst een van een arbeidsovereenkomst afwijkende fiscale regeling ter zake treffen, is ook dit in het algemeen onvoldoende om de kwalificatie arbeidsovereenkomst te ontlopen. Daarvoor zijn immers elementen als gezagsverhouding, loon en bepaalde tijd meer bepalend. Wat betreft de feitelijke uitvoering wordt als volgt overwogen. De gang van zaken rond de non-actiefstelling van X wijst op een bepaalde gezagsverhouding. De stichting kan worden toegegeven dat ook als sprake is van een overeenkomst van opdracht de leidinggevende kan ingrijpen en de belangen van de school kan dienen. Wat de stichting hier evenwel miskent is dat het aan haar is om het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst te weerleggen. Uit de gestelde gang van zaken blijkt in het geheel niet van een handelwijze van het bestuur die specifiek duidt op het bestaan van een overeenkomst van opdracht. De gevolgde handelwijze past geheel binnen het kader van een arbeidsovereenkomst. Ook de stelling van de stichting dat X de wijze van werken volledig zelf kon inrichten staat aan het aannemen van een arbeidsovereenkomst niet in de weg. Veel werknemers werken geheel zelfstandig. De stelling valt bovendien niet te rijmen met de stelling dat X zich wel moest houden aan de aanwijzingen van het bestuur. Tot slot wordt in overweging genomen dat wil er sprake zijn van een overeenkomst van opdracht dit in beginsel door beide contractanten gewenst moet worden en hen beide voordeel moet bieden. De opdrachtgever zal niet eenzijdig de bepalingen van het arbeidsrecht terzijde kunnen stellen, al was het alleen al om te voorkomen dat de ‘werkgever’, die immers een bepaalde machtspositie heeft, de ‘werknemer’ kan benadelen. Aan een belang van X om geen arbeidsovereenkomst te sluiten ontbreekt het hier. Haar enige belang is gelegen in het feit dat zij anders geen werk en daarmee inkomen zou hebben gehad. Volgt bekrachtiging van het bestreden vonnis.