Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Hecs BV
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 augustus 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:6980

werknemer/Hecs BV

Werkgever hoeft niet bedacht te zijn op geweldsincidenten op kantoorbaan, zodat geen sprake is van schending zorgplicht (bewijsopdracht).

Werknemer is op 5 april 1991 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van Hecs (te weten: Hartman Productie en Evenementen Service BV) en vanaf 2002 werkzaam als vestigingsmanager. In november 2002 is werknemer mishandeld door dhr. X , toentertijd een uitzendkracht van Hecs. In de periode van april 2006 tot medio 2008 is werknemer verschillende malen bedreigd door dhr. Y, die daarbij aangaf dat hij optrad namens een aantal voormalige uitzendkrachten van Hecs. Deze bedreigingen zijn op enig moment bekend geworden bij de directie van Hecs. Werknemer heeft zich in 2007 en in 2008 ziek gemeld. De arbeidsovereenkomst is op verzoek van Hecs ontbonden onder toekenning van een vergoeding (C=1). Werknemer stelt in deze procedure Hecs aansprakelijk wegens het niet of onvoldoende nemen van maatregelen tegen bedreiging en mishandeling.

Het hof oordeelt als volgt. De schade toegebracht door X kan op grond van artikel 6:170 BW worden gevorderd. Er is sprake van een voldoende functionele band. In casu ontbreekt evenwel het causaal verband tussen de gedraging van X en de psychische schade van werknemer, waardoor de vordering alsnog wordt afgewezen.

Met betrekking tot artikel 7:658 BW oordeelt het hof als volgt. Het hof is voorshands van oordeel dat als agressie en geweld vaker voorkwamen bij Hecs, althans op haar vestiging in Groningen, en Hecs daarvan wist, althans behoorde te weten, Hecs redelijkerwijs bedacht had dienen te zijn op de mogelijkheid van geweld en dat het in het licht van de hiervoor weergegeven zorgverplichting dan op haar weg zou hebben gelegen om preventieve maatregelen hiertegen te treffen, althans (minimaal) te zorgen voor instructies en/of begeleiding gericht op het zo veel mogelijk voorkomen, althans beperken van (fysieke en/of psychische) schade door geweld. Buiten die situatie valt echter niet in te zien dat Hecs maatregelen had dienen te nemen en/of aanwijzingen en instructies (protocollen) had behoren te verstrekken om schade door geweld, waaronder begrepen bedreigingen, te voorkomen. Het hof heeft vooralsnog geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat Hecs redelijkerwijs bedacht had dienen te zijn op de mogelijkheid van geweld (op haar locatie in Groningen) en (preventief) maatregelen had behoren te nemen om schade door geweld te voorkomen, althans te beperken. In het bijzonder heeft het hof geen aanleiding om te veronderstellen dat aan het werken op het kantoor van een uitzendorganisatie als Hecs risico’s op het zich voordoen van geweldssituaties zijn verbonden en dat buiten de onderhavige incidenten Hecs (op haar vestiging in Groningen) vaker is geconfronteerd met geweld en/of bedreigingen. Hecs heeft (in eerste aanleg) voldoende gemotiveerd betoogd dat dit niet het geval is. Werknemer heeft zich in hoger beroep weliswaar beroepen op door hem overgelegde schriftelijke verklaringen waaruit volgens hem kan blijken dat geweld een aan het werk inherent en structureel risico vormde, maar de overgelegde verklaringen zijn daarvoor te beperkt en te weinig specifiek. Het ligt in die situatie op de weg van werknemer om tegenbewijs te leveren tegen de voorshands als juist aangenomen stelling van Hecs dat zij niet bedacht hoefde te zijn op de mogelijkheid van geweld (op haar locatie in Groningen). Werknemer heeft (tegen)bewijslevering aangeboden middels (in ieder geval) het horen van getuigen. Tot dat bewijs zal werknemer derhalve worden toegelaten.