Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 23 september 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:7321
All Voltage Supply B.V./werknemer
AVS verzoekt voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het ontslag op staande voet van werknemer is vernietigd (zie ook AR 2016-0982 en AR 2016-1010).
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het verwijtbaar handelen van werknemer volgt volgens AVS uit de gebeurtenissen zoals die plaatsvonden in maart, april en mei 2014 en uit het disfunctioneren van werknemer. Een en ander kan echter, wat er ook van de juistheid van de stellingen van AVS op dit punt zij, nu niet meer tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst leiden. Na de gebeurtenissen in het voorjaar van 2014 zijn partijen weer ‘gewoon’ met elkaar doorgegaan en AVS laat na uit te leggen waarom hetgeen toen is voorgevallen nu opeens tot het oordeel zou moeten leiden dat van AVS in redelijkheid niet meer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Hetzelfde geldt voor het gestelde disfunctioneren van werknemer. Ook dit is in de ogen van AVS kennelijk al jaren het geval. Het verwijtbaar handelen van werknemer ziet volgens AVS tevens op de gebeurtenissen vlak voor en na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst van 29 februari 2016, meer in het bijzonder dat werknemer (volgens AVS) AVS is gaan beconcurreren terwijl hij nog in dienst was van AVS. Als uitgegaan wordt van de juistheid van de stellingen van AVS over het beconcurreren van AVS door werknemer vóór 1 juni 2016, dan kan, gelet op de getroffen regeling ter beëindiging van het dienstverband en de regel dat werknemer zich als goed werknemer moet gedragen, hooguit geoordeeld worden dat werknemer te vroeg actief is geworden voor X. Hierover kan werknemer welllicht een verwijt worden gemaakt. Dit is echter niet voldoende voor ontbinding op basis van de e-grond.
De arbeidsovereenkomst kan wel ontbonden worden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van AVS in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (de g-grond). Beide partijen waren immers in de aanloop naar de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst van 29 februari 2016 al tot de conclusie gekomen dat hun arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord was geraakt en dat aan die verhouding een einde moest komen. De gebeurtenissen ná het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst zullen de verhoudingen, naar aangenomen mag worden, eerder verslechterd dan verbeterd hebben. Voor het geval het ontslag op staande voet van 22 april 2016 uiteindelijk géén stand houdt én de vaststellingsovereenkomst van 29 februari 2016 evenmin, ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen met inachtneming van hetgeen artikel 7:671b lid 8 aanhef en onderdeel a BW bepaalt per 1 november 2016. Voor ontbinding per een eerdere datum is geen aanleiding. Werknemer heeft recht op een transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW. De door werknemer gevraagde billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door AVS. Voor het geval het verzoek van werknemer tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt toegewezen én zou blijken dat de vaststellingsovereenkomst van 29 februari 2016 zou zijn vernietigd én het voorwaardelijk verzoek van AVS tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, verzoekt werknemer om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:686 BW. Nu aan de voorwaarden voor het in behandeling nemen van dit verzoek niet is voldaan, het ontslag op staande voet is vernietigd maar aan de overige voorwaarden niet is voldaan, hoeft dit voorwaardelijke zelfstandige verzoek van werknemer niet beoordeeld te worden.