Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 31 augustus 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:4724

werkneemster/werkgeefster

Transitievergoeding verschuldigd. Werkneemster is samen met de horecawerkzaamheden van uitzendbureau meeverhuisd naar de nieuw opgerichte vennootschap (werkgeefster). Opvolgend werkgeverschap. Berekening arbeidsduur in het kader van de hoogte van de transitievergoeding.

Werkneemster is op 28 december 2009 als uitzendkracht in dienst getreden bij X B.V. Zij was werkzaam in de horeca. Per 1 januari 2012 heeft werkneemster haar horecawerkzaamheden voortgezet bij een nieuw opgerichte onderneming (werkgeefster). De uitzendovereenkomst is mondeling tot stand gekomen. De eerste schriftelijke overeenkomst tussen partijen dateert van 1 januari 2013 en is aangegaan voor een periode van twaalf maanden. De laatste overeenkomst die partijen hebben gesloten liep van 1 april 2015 tot en met 31 maart 2016 en betreft de functie van werkneemster als accountmanager bij werkgeefster. Die overeenkomst is van rechtswege geëindigd. Werkneemster verzoekt werkgeefster te veroordelen tot betaling van onder meer een transitievergoeding. Ter onderbouwing van haar verzoek stelt werkneemster dan werkgeefster de transitievergoeding verschuldigd is, omdat zij een dienstverband heeft gehad van meer dan 24 maanden en het einde van haar dienstverband het gevolg is van het niet verlengen daarvan door werkgeefster. Volgens werkgeefster moet de periode waarin werkneemster horecawerkzaamheden heeft verricht buiten beschouwing gelaten worden, omdat de functiewijziging van werkneemster op 1 april 2015, waarbij werkneemster wezenlijk andere werkzaamheden is gaan verrichten, tot gevolg heeft dat er geen sprake is van opvolgend werkgeverschap.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Met ingang van 1 april 2015 is werkneemster als accountmanager gaan werken op het kantoor van werkgeefster. Dat zijn inderdaad wezenlijk andere werkzaamheden dan die van horecamedewerker, maar omdat werkneemster die voor dezelfde werkgever is gaan verrichten, speelt de vraag of er sprake is van opvolgend werkgeverschap geen rol. Dat betekent dat ook de arbeidsovereenkomst(en) die betrekking hebben op de functie van werkneemster als horecamedewerkster meetellen bij het bepalen van de termijn van 24 maanden. Uitgaande van de datum waarop werkneemster in dienst is getreden bij werkgeefster hebben de arbeidsovereenkomsten een periode van 51 maanden geduurd. Zelfs als werkgeefster gevolgd zou moeten worden in haar stelling dat werkneemster op 25 april 2013 opnieuw in dienst is getreden bij werkgeefster, is werkneemster langer dan 24 maanden in dienst geweest bij werkgeefster. Werkneemster heeft dan ook recht op een transitievergoeding. Voor het berekenen van de hoogte van de transitievergoeding moet eerst vastgesteld worden wat de duur van de arbeidsovereenkomst(en) is. Tussen partijen is niet in geschil dat werkneemster op 28 december 2009 bij bedrijf X in dienst is getreden en dat zij voor haar op uitzendbasis horecawerkzaamheden heeft verricht. Ter zitting is vervolgens komen vast te staan dat werkneemster de horecawerkzaamheden die zij via X verrichtte, vanaf de oprichting van werkgeefster op 1 januari 2012, via laatstgenoemde vennootschap is gaan verrichten. Werkneemster is dus als het ware samen met de horecawerkzaamheden meeverhuisd naar de nieuw opgerichte vennootschap (werkgeefster), die tot dezelfde ‘Groep’ behoort als X. Werkgeefster geldt daarom als opvolgend werkgever in de zin van artikel 7:688a BW. Voor zover er in de periode tussen 21 juli 2012 en 1 januari 2013 geen arbeidscontract bestond tussen partijen, hetgeen niet is gesteld – partijen lijken het erover eens te zijn dat er mondeling een dienstverband is overeengekomen over de periode van 28 december 2009 tot 1 januari 2013 – is die onderbreking korter dan zes maanden en kan die er niet toe leiden dat de periode vóór 21 juli 2012 niet wordt meegeteld. De periode van 28 december 2009 tot april 2016 heeft dan ook als arbeidsduur te gelden. Er dient op grond van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding gerekend te worden met het loon dat werkneemster ontving over de maanden april 2015 tot en met april 2016. Een en ander levert een transitievergoeding op van € 4.391,64.