Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 4 oktober 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:4425
werknemer/Faurecia Emissions Control Technologies Netherlands B.V.
Werknemer (1966) is op 1 augustus 1996 bij de rechtsvoorganger van Faurecia in dienst getreden. Daaraan voorafgaand heeft hij vanaf april 1994 als uitzendkracht bij de rechtsvoorganger van Faurecia gewerkt. Faurecia maakt uitlaten en katalysatoren voor de automobielindustrie. Werknemer had de functie van operator. Hij was werkzaam op de buigafdeling. Dit werk hield kort gezegd in dat werknemer onderdelen van uitlaatsystemen moest buigen. Werknemer is in 2001 voor het eerst uitgevallen met rugklachten. Nadien nog een aantal keren. In 2012 heeft UWV werknemer voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard. In 2013 is werknemer met toestemming van het UWV ontslagen. Werknemer vordert schadevergoeding ex artikel 7:658 BW en artikel 7:681 BW (oud: kennelijk onredelijk ontslag). De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer afgewezen.
Het hof oordeelt als volgt. Wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt. Deze regel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen (HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8369; HR 23 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6166; en HR 9 januari 2009:ECLI:NL:HR:2009:BF8875). Gelet daarop is voor dat vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is (HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717 en ECLI:NL:HR:2013:BZ1721).
Over de vraag of sprake is geweest van schadelijke werkomstandigheden gelast het hof een deskundigenoordeel om vast te stellen of de wijze van werken inderdaad schadelijk was. Over het causaal verband tussen het een en het ander oordeelt het hof aldus. De omstandigheid dat werknemer geen andere werkgevers heeft gehad dan Faurecia en dat hij, voordat hij bij (de rechtsvoorganger van) Faurecia ging werken, gezond was, is onvoldoende om uit te gaan van het vereiste verband tussen gezondheidsschade en werkomstandigheden. Hetzelfde geldt voor zijn (onbetwiste) stelling dat hij geen aangeboren rugafwijkingen heeft en dat hij geen verkeers- en/of sportongelukken heeft gehad die rugletsel tot gevolg zouden kunnen hebben. Volgens werknemer ontstaat artrose van de wervelkolom door het langdurig en veelvuldig belasten daarvan en blijkt uit de beschrijving van de werkzaamheden dat deze rugbelastend waren. Daarmee ziet werknemer er echter aan voorbij dat niet vaststaat dat de werkzaamheden (te) belastend waren voor zijn rug en dat artrose ook andere oorzaken kan hebben. Andersom kan het hof evenmin Faurecia volgen in haar verweer dat aanstonds duidelijk is dat dit verband er niet is. Ook hiervoor zal een deskundigenoordeel nodig zijn.
Volgens werknemer heeft Faurecia zich niet gehouden aan afdeling 1 van hoofdstuk 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit waarmee Richtlijn 90/269/EEG is geïmplementeerd. Op grond daarvan dient de arbeid zodanig te worden georganiseerd en de arbeidsplaats zodanig te worden ingericht en van hulpmiddelen te worden voorzien, dat het gevaar op rugletsel zoveel mogelijk wordt beperkt. Volgens Faurecia heeft zij daaraan voldaan. Het werk was volgens haar niet (te) rugbelastend, zij heeft tilinstructies verstrekt en tilmiddelen ter beschikking gesteld. Zij heeft takels aangebracht en er waren hefondersteuningen aanwezig. Ook op dit punt gelast het hof een deskundigenoordeel.