Rechtspraak
Werkneemster was sinds 7 augustus 1974 in dienst bij werkgever. Werkgever heeft in 2013 een verzoekschrift ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst na een conflict met werkneemster. Aangezien werkneemster een rechtsbijstandsverzekering had afgesloten bij Univé, is zij in deze procedure bijgestaan door een jurist van Stichting Univé Rechtshulp (SUR). SUR heeft voor werkneemster een verweerschrift ingediend en bij beschikking van 18 september 2013 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden tegen een vergoeding van C=1 (€ 225.934,11) voor het geval werkgever het verzoek niet intrekt. Werkgever heeft het verzoek echter ingetrokken. Op 7 november 2013 heeft SUR namens werkneemster een verzoekschrift ingediend bij de Rechtbank Noord-Holland tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, welk verzoek is toegewezen (ontbinding per 1 januari 2014 met een vergoeding van € 113.000 bruto). Op 21 januari 2014 is werkgever in staat van faillissement verklaard. X Beleggingen B.V. moet ten behoeve van werkneemster zekerheid stellen voor betaling van € 113.000. Bij brief van 21 april 2015 heeft de advocaat van werkneemster Univé aansprakelijk gesteld voor vermogensschade die zij heeft geleden kort en wel omdat zij van mening is dat de SUR een zelfstandig tegenverzoek had moeten indienen hangende het verzoek van werkgever tot ontbinding. Werkneemster vordert onder meer schadevergoeding en een verklaring voor recht dat Univé is tekortgeschoten in de tussen haar en Univé gesloten verzekeringsovereenkomst en gehouden is de door haar geleden vermogensschade te vergoeden. Univé voert verweer en betwist dat SUR in de juridische bijstand is tekortgeschoten.
De rechtbank overweegt het volgende. Aan de orde is de vraag of SUR als de door Univé ingeschakelde hulppersoon de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen (art. 6:76 en 7:401 BW). Een zelfstandig tegenverzoek had kunnen voorkomen dat werkneemster door intrekking van het verzoek van werkgever, in die zin met lege handen kwam te staan dat de vergoeding die de kantonrechter had bepaald niet uitgekeerd werd en een nieuwe procedure moest worden gestart om alsnog een vergoeding te krijgen. Dat wil echter niet zeggen dat SUR ook een zelfstandig tegenverzoek had moeten indienen. Ten eerste is een dergelijk verzoek pas aan de orde als werkneemster op dat moment ook ontbinding van de arbeidsovereenkomst wenste. Daarnaast was een zelfstandig tegenverzoek op dat moment nog prematuur en niet geheel risicoloos omdat de ernstige verwijten die werkgever werkneemster maakte op dat moment nog niet van de tafel waren. SUR heeft daarom terecht het verweer vooral ingezet op bestrijding van de ernstige verwijten van wanbeleid en zelfverrijking. Gelet op deze omstandigheden heeft SUR naar het oordeel van de rechtbank in zoverre gehandeld als van een redelijk bekwaam en redelijk handelend rechtsbijstandverlener mag worden verwacht. SUR kan naar het oordeel van de rechtbank wel het verwijt worden gemaakt dat zij werkneemster niet heeft geïnformeerd over de mogelijkheid van een tegenverzoek. Werkneemster heeft door deze tekortkoming echter geen schade geleden. De rechtbank concludeert dat de gevorderde verklaring voor recht dat Univé is tekortgeschoten in de tussen haar en werkneemster gesloten verzekeringsovereenkomst kan worden toegewezen voor zover werkneemster niet is geïnformeerd over de mogelijkheid van het indienen van een tegenverzoek. De vorderingen worden voor het overige afgewezen.