Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster en Stichting Proefprocessenfonds Clara Wichman/Universiteit van Amsterdam
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 augustus 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:3417

werkneemster en Stichting Proefprocessenfonds Clara Wichman/Universiteit van Amsterdam

UvA heeft geen verboden ondergescheid op grond van geslacht gemaakt bij selectie en invulling betrekking UD afdeling Economie. Tegenbewijs laat objectieve selectie zien.

(Vervolg op AR 2015-0034.) Werkneemster en de Stichting hebben (1) een verklaring voor recht gevorderd dat de UvA onderscheid naar geslacht heeft gemaakt bij de vervulling van de betrekking van UD bij de afdeling Algemene Economie van de FEB van de UvA en (2) veroordeling van de UvA tot vergoeding van de schade. Aanleiding daartoe was de sollicitatieprocedure naar de genoemde functie waarbij uiteindelijk een 31-jarige man de functie heeft gekregen, terwijl werkneemster (volgens haar) betere papieren en track record heeft. De (toen nog) Commissie gelijke behandeling heeft geoordeeld dat de UvA onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht. De rechtbank heeft geoordeeld dat wel sprake is geweest van een ‘vermoeden’ van discriminatie, maar dat de UvA dit vermoeden heeft weerlegd. De UvA heeft onder meer aangevoerd dat ten onrechte is geconcludeerd tot een bewijsvermoeden. Het feit dat de selectiecommissie alleen uit mannen bestond, is daartoe onvoldoende. Verder stelt zij dat de ondervertegenwoordiging van vrouwen bij de FEB geen rol mag spelen bij het aannemen van bedoeld vermoeden. Het betreft immers niet uitgewerkte cijfers waarbij ook betrokken moet worden dat een en ander een landelijk gegeven is en er ook andere oorzaken die geen link hebben met het selectiebeleid aan die ondervertegenwoordiging ten grondslag kunnen liggen. Op deze wijze zou de FEB in iedere selectieprocedure geconfronteerd worden met een vermoeden van onderscheid. Bij tussenarrest is geoordeeld dat het bewijsvermoeden onvoldoende is ontzenuwd, zodat UvA tegenbewijs mocht leveren.

Het hof oordeelt thans als volgt. Er zijn diverse getuigen gehoord. Uit de getuigenverklaringen en de stukken van het dossier komt voldoende naar voren dat de leden van de selectiecommissie alle sollicitanten onafhankelijk van elkaar gescoord hebben op met name de kwaliteiten onderzoek en onderwijs. Daarbij heeft elk der commissieleden dezelfde vier sollicitanten met een één gescoord, hetgeen inhield dat zij binnen de selectie vielen waaruit uiteindelijk een keuze is gemaakt. Werkneemster behoorde niet tot deze vier. De commissie was van oordeel dat haar kwaliteiten onvoldoende waren, terwijl ook haar onderzoek minstgenomen niet in voldoende mate aansloot bij de onderzoeksbeschrijving van de leerstoel van de onderzoeksgroep HME, voor zover het ging om de geschiedenis van de hedendaagse economiebeoefening. Een en ander in vergelijking met de kwaliteiten en het kaliber van de vier geselecteerden, in het bijzonder de heer DM. Voldoende aannemelijk is dat de commissie uitsluitend naar de kwaliteit van de kandidaten heeft gekeken en dat op basis daarvan werkneemster reeds bij de eerste selectieronde is afgevallen.