Naar boven ↑

Rechtspraak

ondernemingsraad Permar WS/openbaar lichaam Permar WS
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16 september 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:3986

ondernemingsraad Permar WS/openbaar lichaam Permar WS

Ondernemingskamer wijst verzoek ex artikel 26 WOR af. Geen sprake van een situatie zoals in artikel 25 WOR lid 1 onderdeel b, d of e.

Permar (openbaar lichaam op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen) heeft als doelstelling de Wet sociale werkvoorziening (WSW) – per 1 januari 2015 vervangen door de Participatiewet – uit te voeren en geeft daaraan onder andere vorm door medewerkers met een afstand tot de arbeidsmarkt die over een indicatie op basis van de WSW beschikken (hierna: SW-medewerkers) producten te laten assembleren ten behoeve van opdrachtgevers. Permar heeft jarenlang assemblagewerkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van ABB B.V. (hierna: ABB). Het algemeen bestuur van Permar is op 17 februari 2016 akkoord gegaan met het document ‘Uitgangspunten uitplaatsing medewerkers in sociale ondernemingen’, waarna Permar en ABB een duurzame samenwerking zijn aangegaan met een strategische sociale partner: de BlueView-groep. Tijdens de overlegvergadering van 14 april 2016 zijn de plannen voor het aangaan van een samenwerkingsrelatie met BlueView Ede B.V. ter zake van de assemblageactiviteiten toegelicht aan de ondernemingsraad. De ondernemingsraad heeft verzocht om een adviesaanvraag. Permar heeft daarop geantwoord dat de ondernemingsraad niet om advies zal worden gevraagd, omdat geen sprake is van een adviesplichtig voorgenomen besluit. In april 2016 zijn Permar en BlueView Ede tot overeenstemming gekomen over de samenwerking. Op grond van Overeenkomst 1 heeft Permar zich ertoe verbonden de exploitatie van de assemblageactiviteiten die hij op zijn bedrijfslocatie ten behoeve van ABB uitvoerde, per 1 mei 2016 over te dragen aan BlueView Ede. Daarnaast zijn partijen bij Overeenkomst 2 overeengekomen dat Permar het gedeelte van haar bedrijfsruimte waar voormelde assemblageactiviteiten worden uitgevoerd, met ingang van 1 mei 2016 verhuurt aan BlueView Ede. De ondernemingsraad verzoekt Permar het besluit in te trekken en uitvoeringshandelingen te staken dan wel terug te draaien, omdat Permar bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit had kunnen komen een rechtsverhouding aan te gaan met BlueView. De ondernemingsraad heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen (op grond van art. 25 lid 1 onderdeel b, d en e WOR) over het besluit. Permar heeft zich hiertegen verweerd.

De Ondernemingskamer overweegt als volgt. Anders dan de ondernemingsraad heeft betoogd, kan het besluit niet worden gezien als een besluit in de zin van artikel 25 lid 1 onderdeel b WOR. De rechtsverhouding die Permar en BlueView Ede zijn aangegaan, die inhoudt dat Permar in het kader van de uitvoering van haar doelstelling een dienst aantrekt van BlueView Ede, is niet een aangaan van samenwerking zoals in deze bepaling. Tussen Permar en BlueView Ede bestaat een klantrelatie; zij ontplooien geen gezamenlijke activiteit. Ook de daarmee gepaard gaande wijziging in de contractuele relatie tussen Permar en ABB leidt niet tot adviesplicht. De samenwerking met ABB was gebaseerd op (een) overeenkomst(en) op grond waarvan werknemers van Permar werkzaamheden voor ABB verrichtten en valt daarmee eveneens buiten het bestek van lid 1 onderdeel b van meergenoemde bepaling. Evenmin is sprake van een belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden van de onderneming. De onderneming van Permar legt zich niet toe op het uitvoeren van assemblagewerkzaamheden, maar op het (weer) naar de arbeidsmarkt brengen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Ten aanzien van het standpunt van de ondernemingsraad dat het besluit van Permar leidt tot een wijziging in de organisatie van de onderneming overweegt de Ondernemingskamer dat, voor zover sprake is van een dergelijke wijziging, de ondernemingsraad er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat deze zodanig belangrijk is dat Permar advies over het voorgenomen besluit had behoren te vragen aan de ondernemingsraad. Het besluit om een rechtsverhouding aan te gaan met BlueView Ede heeft ontegenzeglijk enige gevolgen voor de organisatie van de onderneming van Permar. Deze wijzigingen nemen evenwel niet weg dat voor de positie van de desbetreffende SW-medewerkers een groot aantal zaken onveranderd zal blijven, zoals Permar ook heeft betoogd. Hun dienstverband bij Permar blijft onverminderd gehandhaafd en zij zullen dezelfde assemblageactiviteiten ten behoeve van ABB blijven uitvoeren. Permar heeft, zo concludeert de Ondernemingskamer, gelet op de overeengekomen verdeling van de bevoegdheden, nog zoveel invloed op de inzet van de medewerkers en de uit te voeren werkzaamheden, dat het besluit om een rechtsverhouding aan te gaan met BlueView niet een wijziging van de organisatie van Permar vormt dan wel een wijziging in de verdeling van bevoegdheden meebrengt die zodanig belangrijk is dat een adviesplicht ex artikel 25 lid 1 onderdeel e WOR bestaat. De slotsom luidt dat het verzoek zal worden afgewezen.