Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 10 november 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:5001

werknemer/werkgever

Aard billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW. Hoogte aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Gefixeerde schadevergoeding niet in mindering op billijke vergoeding.

Werknemer (geboren 1982) is in 2011 in dienst getreden van werkgever. Op 31 december 2015 heeft werkgever een verzoek tot ontbinding ingediend bij de kantonrechter en werknemer op non-actief gesteld. Nadien is gesproken over een schikkingsvoorstel. Werkgever heeft werknemer opgeroepen 24 februari 2016 te verschijnen op het werk. Werknemer was in de veronderstelling dat nader over het schikkingsvoorstel zou worden gesproken en verscheen niet in zijn werkkleding. Toen werkgever werknemer opdroeg ringetjes van schroefjes af te draaien, heeft werknemer dit geweigerd. Hierop heeft werkgever ontslag op staande voet verleend. Op 18 maart is het nog lopende ontbindingsverzoek afgewezen. Werknemer heeft in eerste aanleg een 681-verzoek ingediend en onder meer achterstallig loon, transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding verzocht. De billijke vergoeding is niet toegewezen. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. Zoals het hof bij beschikking van 23 juni 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2514) ook al heeft geoordeeld (en waarnaar beide partijen hebben verwezen in hun processtukken), is de rechtsgrond voor toewijzing van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW reeds gegeven met het oordeel dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen de regering hierover heeft medegedeeld in reactie op vragen en opmerkingen van de Vereniging Arbeidsrecht Advocaten Nederland (VAAN): ‘De auteur vraagt duidelijkheid over de vraag of met de «billijke vergoedingen» zoals opgenomen in de artikelen 7:681 BW en 7:682, derde, vierde en vijfde lid, BW hetzelfde type vergoeding is bedoeld als de vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten zoals deze elders in het wetsvoorstel is opgenomen. Hierover bestaat in de literatuur discussie. Hierbij kan de regering bevestigen dat er sprake is van hetzelfde type vergoeding; in de artikelen 7:681 BW en 7:682, derde, vierde en vijfde lid, BW is er voor de daarin bedoelde specifieke gevallen reeds invulling gegeven aan de ernstige verwijtbaarheid’ (Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 113). Werkgever heeft betoogd dat vanwege de ‘ernst van de verwijtbaarheid’ het van de omstandigheden van het geval afhangt of een billijke vergoeding dient te worden betaald. Dit verweer berust op een verkeerde lezing van de betreffende beschikking. Deze overweging ziet namelijk op de hoogte van de billijke vergoeding, niet op de verschuldigdheid daarvan.

Nu uit de feiten blijkt dat sprake is geweest van een vooropgezet plan van de werkgever (binnen vijf minuten had de werkgever een juridisch perfecte ontslagbrief vervaardigd) en de afwijzing van het ontbindingsverzoek met zich brengt dat partijen in beginsel met elkaar verder zouden moeten gaan, acht het hof de verzochte vergoeding van 7 maandsalarissen (€ 20.000) niet onbillijk. Het hof ziet geen aanleiding de gefixeerde schadevergoeding, WW-uitkering en inkomsten uit nieuwe arbeid hierop in mindering te brengen.