Naar boven ↑

Rechtspraak

Koninklijke Schelde Groep BV/X
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 15 november 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:5098

Koninklijke Schelde Groep BV/X

Tussenarrest. De twee-conclusie-regel die in artikel 347 lid 1 Rv ligt besloten, beperkt de aan werknemer toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen.

Het gaat in deze zaak om een tussenarrest inzake aansprakelijkheid voor ziekte en overlijden door werken met asbest. De kantonrechter heeft in eerste aanleg voor recht verklaard dat Koninklijke Schelde Groep BV (hierna: De Schelde) jegens werknemer verwijtbaar tekort is geschoten ingevolge artikel 7:658 BW en daardoor jegens werknemer schadeplichtig is geworden. Partijen zijn het over de hoogte van de schadepost ‘verlies van levensonderhoud’ niet eens. Werknemer heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid die haar in het tussenarrest van 18 december 2012 is geboden om deze post nader toe te lichten. De Schelde heeft hier van haar kant op gereageerd. Werknemer heeft bij haar akte een rapport van expertisebureau X BV overgelegd waarin een nieuwe schadeberekening is opgenomen die uitkomt op een bedrag van € 43.045 aan schade wegens verlies van levensonderhoud. In haar akte vermeldt werknemer dat haar oorspronkelijke berekening van € 7.950 bij nader inzien niet houdbaar is en dat zij een bedrag van € 43.045 vordert, naast een bedrag van € 6.125,72 aan kosten van het expertisebureau als kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onderdeel b BW. De Schelde maakt bezwaar tegen deze eisvermeerdering. Zij voert hiertoe aan dat de zogenaamde twee-conclusie-regel in hoger beroep aan een eiswijziging na de memorie van antwoord van werknemer in de weg staat. Van nieuwe gegevens of omstandigheden die een uitzondering op die regel rechtvaardigen is geen sprake, aldus De Schelde. Subsidiair betwist De Schelde de inhoud van het rapport en de daarbij behorende berekeningen.

Het hof oordeelt als volgt. De strekking van de akte van werknemer is onmiskenbaar een vermeerdering van eis, zowel ten aanzien van de schadevergoeding wegens verlies aan levensonderhoud als ten aanzien van de door haar opgevoerde kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onderdeel b BW. De twee-conclusie-regel die in artikel 347 lid 1 Rv ligt besloten, beperkt de aan oorspronkelijke eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als de verandering of vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eiser is gesteld. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden. Deze omstandigheden doen zich in dit geval niet voor. De Schelde heeft juist ondubbelzinnig bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging en in de aard van het geschil is geen rechtvaardiging voor een uitzondering gelegen. Voorts kan in het algemeen een verandering of vermeerdering van eis na het nemen van de memorie van grieven of antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Ook deze uitzondering doet zich hier niet voor. In haar akte heeft werknemer niet gesteld dat sprake is van feiten of omstandigheden die opgekomen zijn na het moment waarop zij de memorie nam waarbij als onderdeel 3 de vordering tot betaling van het bedrag van € 7.950 werd ingesteld. Het hof heeft werknemer in de gelegenheid gesteld deze vordering nader toe te lichten en eventueel aan te passen en te onderbouwen, maar dat houdt geen uitnodiging in voor een eisvermeerdering die in dit stadium in beginsel niet meer is toegelaten. Alleen binnen de grenzen van haar vordering zoals deze in de plaats van de verwijzing naar de schadestaatprocedure was ingesteld kon werknemer tegenover de door De Schelde geuite kritiek op haar berekeningen die nadere toelichting, aanpassing en/of onderbouwing verstrekken. De slotsom is dat de eiswijziging van werknemer om de hiervoor vermelde redenen niet kan worden toegelaten. Met haar akte heeft werknemer de door het hof bedoelde toelichting op haar vordering ten bedrage van € 7.950 evenwel niet verschaft.