Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/X Grond- en Sloopwerken B.V.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 17 november 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:5133

werknemer/X Grond- en Sloopwerken B.V.

Billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen in hoger beroep. Werkgever draagt bewijslast van ernstig verwijtbaar gedrag van werknemer: vermeend verkopen en toe-eigenen van bedrijfsmateriaal.

Werknemer (geboren 1965) is op 9 januari 2012 in dienst getreden van X Grond- en sloopwerken in de functie van projectleider sloop. Vanaf 1989 was werknemer werkzaam bij de voorganger van werkgever. Er is sprake van opvolgend werkgeverschap. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 4.591,93 bruto per maand exclusief vakantiebijslag. In mei 2015 is werknemer aangesproken op een verkooptransactie van balken uit een sloopproject van twee scholen in de gemeente Geldrop. Vanaf dat moment hebben partijen geen vertrouwen meer gehad in elkaar. In juli 2015 meldt werknemer zich ziek. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden op de e-grond. Daarbij heeft de kantonrechter geoordeeld dat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat de ontbindingstermijn werd vervroegd. Werknemer heeft wel een transitievergoeding ontvangen van € 7.500 (in plaats van € 60.298,64. Werknemer komt van dit oordeel in hoger beroep en verzoekt het hof een latere ontbindingsdatum vast te stellen, alsmede de transitievergoeding volledig toe te kennen.

Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 7:683 lid 3 BW kan de rechter in hoger beroep een billijke vergoeding toekennen indien hij oordeelt dat het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is toegewezen. Deze vergoeding kan worden toegekend in plaats van een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden op grond van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onderdeel e BW. Wanneer het hof er veronderstellenderwijs van uitgaat dat de kantonrechter ten onrechte op deze grond heeft ontbonden, dan brengt de devolutieve werking van het hoger beroep mee dat het hof moet beoordelen of de ontbinding had kunnen geschieden op grond van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onderdeel g BW. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de verhoudingen tussen partijen zozeer zijn verstoord, dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval op deze grond ontbonden had kunnen worden. Er is sprake van een diepgeworteld wantrouwen over en weer. Herplaatsing had niet in de rede gelegen. Dit leidt ertoe dat een billijke vergoeding op grond van artikel 7:683 lid 3 BW niet toewijsbaar is.

Het hof begrijpt echter dat werknemer ook heeft bedoeld aanspraak te maken op een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 8 aanhef en onderdeel c BW. Daarbij gaat het erom of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van X. In dit verband is van belang dat de door X aan het verzoek tot ontbinding ten grondslag gelegde verwijten, zeer ernstig zijn. Volgens werknemer hebben deze verwijten hem zeer diep geraakt en zijn deze onterecht en zo ernstig, dat het uiten van die verwijten heeft geleid tot de verstoring van de arbeidsverhouding, hetgeen volgens werknemer als ernstig verwijtbaar in voornoemde zin moet worden beschouwd. Het hof zal de beslissing of het uiten van die verwijten zo ernstig is geweest dat dit moet worden beschouwd als ernstig verwijtbaar handelen van X in de hier bedoelde betekenis, aanhouden in afwachting van bewijslevering door de werkgever dat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.