Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 16 november 2016
ECLI:NL:RBZWB:2016:7288

werknemer/werkgever

Verstekveroordeling. Werkgever is door onjuiste tenaamstelling in het verzoekschrift niet in haar mogelijkheden om verweer te voeren geschaad. Billijke vergoeding ad € 25.000, alsmede vergoeding wegens onregelmatige opzegging verschuldigd na onterecht gegeven ontslag op staande voet.

Werknemer is op 21 april 2016 in dienst getreden van werkgever in de functie van uitzendkracht. Op 6 mei 2016 is werknemer betrokken geweest bij een bedrijfsongeval. Zijn hand zat enkele seconden klem in een machine nadat zijn handschoen werd gegrepen. Werknemer is op 26 augustus 2016 op staande voet ontslagen, omdat hij zou hebben gefraudeerd met ‘fysio rapports’. Werknemer verzoekt onder meer veroordeling van werkgever tot betaling van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en betaling van loon over de periode van 12 tot 26 augustus 2016. Werkgever en/of diens gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Ter zitting heeft de kantonrechter al geoordeeld dat werknemer ontvankelijk is in zijn verzoek. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat werkgever door de onjuiste tenaamstelling in het verzoekschrift niet in haar mogelijkheden om verweer te voeren is geschaad. Werkgever en de in het verzoekschrift genoemde partij hebben dezelfde moedermaatschappij, zijn gevestigd op hetzelfde adres en hebben hetzelfde telefoonnummer. Tussen partijen is ook niet in geschil dat werkgever de werkgever van werknemer was. Bovendien heeft mr. Koelen in het buitengerechtelijke traject namens werkgever contact gehand met mr. Spieringhs. Mr. Spieringhs heeft ook onweersproken gesteld dat zij mr. Koelen direct na het ontslag op staande voet heeft gesproken alsook direct na de indiening van het verzoekschrift. Gelet daarop kan geen onduidelijkheid hebben bestaan over de vraag tegen welke partij het verzoekschrift zich richtte. Mr. Koelen heeft ter zitting aangegeven dat hij één week voor de mondelinge behandeling startte met de voorbereiding van de onderhavige zaak en toen heeft geconstateerd dat niet werkgever maar een andere partij als verweerster in het verzoekschrift wordt genoemd, waarna besloten is enkel het niet-ontvankelijkheidsverweer te voeren en de zaak niet verder inhoudelijk voor te bereiden. Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat werkgever op de hoogte was van de mondelinge behandeling en dat zij voldoende in de gelegenheid is geweest om zich voor te bereiden op de zitting. De keuze om de zaak niet verder inhoudelijk voor te bereiden en mr. Koelen niet (alsnog) te machtigen om namens haar verweer te voeren dient voor rekening en risico van werkgever te komen.

Nu werkgever niet ter zitting is verschenen zal de kantonrechter de verzoeken toewijzen, tenzij deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Nu werknemer onweersproken heeft gesteld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, alsmede nu geen verweer is gevoerd tegen de hoogte van de gevorderde billijke vergoeding, zal het verzoek van werknemer om toekenning van een billijke vergoeding van € 25.000 worden toegewezen. Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen. Werknemer heeft voorts onweersproken gesteld dat het loon vanaf 12 augustus 2016 niet aan hem is voldaan. Nu de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 26 augustus 2016 en de hoogte van het gevorderde loon niet is betwist, is ook dit deel van de vordering van werknemer toewijsbaar.