Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Rotterdam), 22 november 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:9065
SDG Group B.V./werknemer
Werknemer is op 1 juli 2015 bij SDG Group B.V. (hierna: SDG) in dienst getreden in de functie van Chauffeur Internationaal. In de arbeidsovereenkomst is voor beide partijen een tussentijdse opzegmogelijkheid opgenomen, waarbij de opzegtermijn voor werknemer een maand betreft. Er is geen concurrentiebeding overeengekomen. Tijdens het dienstverband heeft SDG werknemer vooral ingezet als chauffeur bij PTR Holland Group (hierna: PTR). Op 23 juli 2016 heeft werknemer de arbeidsovereenkomst met SDG met onmiddellijke ingang opgezegd. Met ingang van 25 juli 2016 is werknemer in dienst getreden bij PTR. SDG verzoekt werknemer te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding, alsmede een schadevergoeding ad € 28.298,63 vanwege onrechtmatige werknemersconcurrentie.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De reden voor de opzegging door werknemer is gelegen in het feit dat hij meer wilde gaan verdienen, waarbij hij ervan uit is gegaan dat SDG hem geen loonsverhoging wilde geven. Op 23 juli 2016 had werknemer echter geen reden om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen. Er zou immers nog een gesprek volgen naar aanleiding van de wens van werknemer om meer te gaan verdienen. Echter, nog voordat een dergelijk gesprek heeft kunnen plaatsvinden, had werknemer blijkbaar zijn conclusie al getrokken. Deze conclusie was op dat moment echter voorbarig. Ook het door werknemer gevoerde verweer over zijn financiële situatie kan werknemer niet baten. Hoewel de kantonrechter begrip heeft voor deze situatie, had die omstandigheid er echter niet toe mogen leiden dat werknemer het gesprek met zijn werkgever niet is aangegaan, zeker niet nu dat overleg met SDG al gepland stond. Een en ander leidt dan ook tot de conclusie dat werknemer door de onregelmatige opzegging van zijn arbeidsovereenkomst met SDG een schadevergoeding aan SDG verschuldigd is. Het door werknemer berekende bedrag van € 1.718,66 bruto aan gefixeerde schadevergoeding is niet inhoudelijk door SDG weersproken, zodat over de periode van 23 juli 2016 t/m 31 augustus 2016 een bedrag van € 1.718,66 bruto aan gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen.
Van onrechtmatige werknemersconcurrentie aan de zijde van werknemer is in dit geval naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Tussen partijen is geen concurrentiebeding overeengekomen en de arbeidsovereenkomst is voor beide partijen tussentijds opzegbaar waarbij lopende opdrachten niet zijn uitgesloten. Daarnaast heeft SDG de opdrachtovereenkomst met PTR inmiddels zelf beëindigd. Gesteld noch gebleken is dat PTR van plan was haar opdracht aan SDG in te trekken, nadat werknemer bij PTR in dienst was getreden of dat werknemer ervoor heeft gezorgd dat SDG de opdracht van PTR is kwijtgeraakt. Daarnaast kan niet worden gesteld dat sprake is van het stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzame debiet van SDG. Uit voornoemde concrete omstandigheden volgt dat niet is voldaan aan de in het arrest van de Hoge Raad van 9 december 1955, NJ 1956/157 (Boogaard/Vesta) neergelegde eisen die aan onrechtmatige werknemersconcurrentie zijn gesteld. De in dit kader door SDG verzochte schadevergoeding is gelet op het vorenstaande dan ook niet toewijsbaar.