Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Limburgse Koelindustrie Liko B.V.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 12 december 2016
ECLI:NL:RBLIM:2016:10816

werknemer/Limburgse Koelindustrie Liko B.V.

Koeltechnisch monteur die na overstap naar concurrent weer terug wil naar voormalig werkgever (waarmee de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen was beëindigd) wordt aan concurrentiebeding gehouden.

Werknemer is per 1 januari 2015 krachtens arbeidsovereenkomst fulltime in dienst getreden van Liko in de functie van koeltechnisch monteur. Ingevolge artikel 1 van de arbeidsovereenkomst is deze met ingang van 1 januari 2016 gecontinueerd voor onbepaalde tijd. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding (duur: 1 jaar na einde arbeidsovereenkomst) opgenomen. Voorafgaand aan het dienstverband met Liko heeft werknemer ruim tien jaar gewerkt bij een ander bedrijf, Koeltex B.V., eveneens als koeltechnisch monteur, doch dat dienstverband is wegens bedrijfseconomische redenen beëindigd. Werknemer heeft de arbeidsovereenkomst met Liko opgezegd om weer bij zijn vorige werkgever in dienst te treden. Werknemer vordert om de werking van het non-concurrentiebeding en het boetebeding te schorsen voor een periode van 12 maanden ingaande augustus 2016.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het niet voldoende waarschijnlijk dat de rechter in een eventuele bodemprocedure het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk zal vernietigen ex artikel 7:653 BW. Immers, uit de voorhanden zijnde stukken is genoegzaam gebleken dat Liko en Koeltex wel degelijk – in ieder geval voor een deel van hun bedrijvigheid – concurrenten van elkaar zijn, meer specifiek in de koel- en klimaattechnische branche. Daarbij komt dat partijen het non-concurrentiebeding hebben afgesproken en dat beding is voldoende duidelijk geformuleerd en spreekt voor zich (‘afspraak is afspraak’). Dat, zoals werknemer aanvoert, tegen hem gezegd zou zijn dat dat beding slechts zou zien op een verbod om zelf in een eigen op te zetten bedrijf concurrerende werkzaamheden uit te gaan voeren, is door Liko gemotiveerd betwist door te stellen dat zij de (juiste) betekenis van het beding wel degelijk voorafgaand aan het sluiten van het contract en ook daarna meerdere malen met werknemer besproken heeft. Het beding is op zichzelf ook voldoende duidelijk en dat werknemer naar eigen zeggen zich de betekenis ervan niet heeft gerealiseerd, is een omstandigheid die voor zijn risico komt. In het kader van de in dit soort zaken te maken belangenafweging heeft te gelden dat onvoldoende is gebleken van een onbillijke benadeling van werknemer indien hij aan het non-concurrentiebeding wordt gehouden. Op grond van hetgeen daartoe door Liko naar voren is gebracht, vindt de kantonrechter voldoende aannemelijk dat zij er een rechtens te respecteren belang bij heeft om werknemer aan het beding te houden: werknemer beschikt over specifieke bedrijfsinformatie, hij kent de klanten en er is – in ieder geval in een bepaalde mate – in hem geïnvesteerd. In feite is het enige belang dat werknemer omtrent zijn voorgenomen overstap naar Koeltex heeft aangevoerd, dat hij bij Liko ‘niet op zijn plaats’ was en dat ‘zijn hart meer bij Koeltex ligt’, het ‘vertrouwde nest waar hij ruim tien jaar lang met veel plezier heeft gewerkt’. Dát echter is op zichzelf in beginsel geen rechtens te respecteren belang dat enig gewicht in de schaal kan leggen bij de beoordeling of werknemer gehouden kan worden aan het door hem met Liko overeengekomen non-concurrentiebeding. Gesteld noch gebleken is verder dat werknemer bij Liko op onbetamelijke wijze zou zijn behandeld of bejegend of zou zijn weggepest of iets dergelijks, integendeel: ter zitting heeft Liko zelfs nog uitdrukkelijk aangeboden om hem weer in dienst te nemen omdat zij hem graag als werknemer wil behouden, doch werknemer is daartoe simpelweg niet meer bereid. Dat betekent dan wel dat hij de consequenties van die keuze dient te dragen.