Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 14 december 2016
ECLI:NL:RBNNE:2016:5581
Stichting Meriant/werkneemster
De kantonrechter verwijst naar de feiten zoals weergegeven in de beschikkingen van 10 februari 2016 en 2 september 2016 (zie AR 2016-1004). Naar aanleiding van laatstgenoemde beschikking heeft werkgever, Stichting Meriant (hierna: Meriant), werkneemster aangeboden de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2016 te herstellen, tegen dezelfde arbeidsvoorwaarden van de ontbonden arbeidsovereenkomst. Werkneemster is er door Meriant nadrukkelijk op gewezen dat het eerder ingezette verbetertraject zal worden voortgezet en wanneer zij weigert hieraan deel te nemen opnieuw ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden verzocht. Werkneemster weigert vervolgens deel te nemen aan het verbetertraject. Naar aanleiding hiervan verzoekt Meriant de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen/nalaten (e-grond), dan wel vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond).
De kantonrechter oordeelt als volgt met betrekking tot de primaire ontbindingsgrond (e-grond). In de beschikking van 2 september 2016 heeft het gerechtshof geoordeeld dat werkneemster met betrekking tot de uitvoering van het verbetertraject niet zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst is gerechtvaardigd. Naar het oordeel van de kantonrechter is Meriant als werkgever vanzelfsprekend bevoegd om werkneemster instructies te geven tot verbetering van haar functioneren. In dat kader mag Meriant van werkneemster verlangen, zo nodig tegen haar zin, om deel te nemen aan een verbetertraject. De wijze waarop Meriant thans onverkort wenst vast te houden aan het eerder aangegeven verbetertraject en van werkneemster verlangt dat zij dit traject zonder mitsen en maren voortzet, na lange tijd van afwezigheid en een tevergeefs gestarte ontbindingsprocedure, brengt echter met zich dat de afwerende houding van werkneemster niet zonder meer opgevat kan worden als werkweigering die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. De primaire ontbindingsgrond slaagt dan ook niet.
Met betrekking tot de subsidiaire ontslaggrond (g-grond) leidt de kantonrechter uit de verklaringen van partijen af dat partijen het erover eens zijn dat hun arbeidsverhouding zodanig verstoord is dat van Meriant in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW. Van ernstig verwijtbaar handelen van werkneemster is geen sprake, zodat rekening wordt gehouden met de tussen partijen geldende opzegtermijn. Voorts maakt werkneemster aanspraak op een transitievergoeding. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de transitievergoeding. Werkneemster is van mening dat zij recht heeft op een vergoeding van circa € 63.000 omdat bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding rekening gehouden moet worden met de aan haar toekomende onregelmatigheidstoeslag. Meriant bestrijdt dit en stelt dat werkneemster op basis van de per 1 oktober 2016 herstelde arbeidsovereenkomst tot op heden niet gerechtigd is tot deze toeslag en dat deze toeslag sowieso niet dient te worden meegenomen in de berekening van de transitievergoeding. De kantonrechter oordeelt dat op grond van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding en de Regeling looncomponenten en arbeidsduur de onregelmatigheidstoeslag betrokken dient te worden bij de berekening van de transitievergoeding. De transitievergoeding wordt derhalve bepaald op een bedrag van € 63.000 bruto, zoals door werkneemster gevorderd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan werkneemster een billijke vergoeding toe te kennen. Van een situatie waarin werkneemster gecompenseerd zou moeten worden voor door Meriant aan haar berokkend 'werkelijk onrecht' is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake.