Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 12 december 2016
ECLI:NL:RBLIM:2016:10759
Tedab B.V./werknemer
Werknemer is op 7 februari 2011 bij Tedab voor onbepaalde tijd in dienst getreden in de functie van monteur. Op 30 oktober 2015 is werknemer op het werk met een ladder omgeslagen, waarbij hij rugletsel heeft opgelopen. Werknemer heeft zich in verband daarmee op 6 november 2015 ziek gemeld. Tedab verzoekt primair ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW en stelt ter onderbouwing van het verzoek dat werknemer zich niet houdt aan zijn re-integratieverplichtingen. Werknemer betwist dit en stelt dat het verzoek verband houdt met arbeidsongeschiktheid en om die reden moet worden afgewezen. Hij stelt zich daarnaast op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen, nu Tedab bij het verzoek geen deskundigenverklaring van het UWV heeft overgelegd waaruit zou moeten blijken dat hij zich niet heeft gehouden aan zijn re-integratieverplichtingen. Tedab daarentegen betwist dat zij gehouden is een deskundigenverklaring over te leggen.
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Staat opzegverbod aan inhoudelijke beoordeling ontbindingsverzoek in de weg?
Vast staat dat werknemer ziek is en dat in beginsel het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 BW van toepassing is. Op grond van artikel 7:671b lid 6 onderdeel a BW kan de kantonrechter het verzoek niettemin inwilligen, indien het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop de opzegverboden betrekking hebben. Tedab heeft aan haar verzoeken – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat werknemer zich niet houdt aan zijn re-integratieverplichtingen en dat de arbeidsrelatie ernstig is verstoord doordat werknemer geen dialoog wenst aan te gaan om tot een oplossing van het gerezen arbeidsconflict te komen. Gelet hierop staat het opzegverbod niet in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Deskundigenoordeel?
Hoewel de tekst van het vijfde lid van artikel 7:671b BW, blijkens het woord ‘of’ doet vermoeden dat het voldoende is dat de werkgever de werknemer eerst heeft gemaand tot nakoming van de re-integratieverplichtingen of de betaling van het loon heeft gestaakt dient de werkgever daarnaast een deskundigenverklaring over te leggen, tenzij het overleggen van deze verklaring in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd (Kamerstukken II 2013/14, 33988, 3, p. 11-12 en ‘Verhulp’, Tekst & Commentaar Arbeidsrecht, art. 7:670b lid 5 BW, aant. 8). Nu bedoelde deskundigenverklaring niet is overgelegd en Tedab niet heeft gesteld dat overlegging daarvan in redelijkheid niet van haar kon worden gevergd, is het verzoek niet toewijsbaar op de primaire grond.
Verstoorde arbeidsrelatie?
De kantonrechter is van oordeel dat wellicht sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie, maar dat niet kan worden gesteld dat deze verstoring zodanig is, dat van Tedab in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, nu Tedab op een aantal punten wel degelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hoewel de reactie van werknemer buitenproportioneel te noemen is, had van Tedab om te beginnen een andere aanpak mogen worden verwacht ten aanzien van het afboeken van de verlofdagen. Door deze zonder voorafgaande uitleg aan werknemer en ook zonder begeleidende brief af te boeken, heeft zij de toon gezet voor het hele verdere verloop van het re-integratieproces. De naar aanleiding van dit voorval opgeschorte loonbetaling is onterecht, omdat uit lid 6 van artikel 7:629 BW volgt dat dit slechts mogelijk is wanneer de werknemer zich – kort gezegd – niet aan de controlevoorschriften houdt. In het maatschappelijk verkeer is algemeen aanvaard dat de controle dient te worden gedaan door de bedrijfsarts en niet door de werkgever zelf. Tedab heeft niet gesteld dat werknemer op dat moment geen gehoor gaf aan oproepen van de bedrijfsarts. De kantonrechter rekent het Tedab in dit verband aan dat ook de deskundigenverklaring van 12 juli 2016 haar er niet toe heeft bewogen de loonbetaling op dat moment met terugwerkende kracht te hervatten. Voorts, ten aanzien van het geplande viergesprek, is de kantonrechter van oordeel dat werknemer er enerzijds op had moeten vertrouwen dat hij voldoende zou worden bijgestaan door zijn gemachtigde. Anderzijds valt niet in te zien waarom Tedab niettemin niet heeft geprobeerd het gesprek te voeren met de echtgenote van werknemer erbij. Als werkgever heeft zij immers de taak om in dit soort situaties de-escalerend op te treden. Daartoe heeft zij zich ten aanzien van het viergesprek onvoldoende ingespannen. Tot slot geldt dat is vast komen te staan dat het niet-verschijnen van werknemer op het spreekuur van de bedrijfsarts op 11 augustus 2016 hem niet kan worden aangerekend, omdat sprake was van een fout van de bedrijfsarts. Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen. De loonvordering van werknemer (tegenverzoek) wordt afgewezen, nu geen deskundigenoordeel als bedoeld in artikel 7:629a BW is overgelegd en Tedab zich op het standpunt stelt dat werknemer zijn re-integratieverplichtingen niet is nagekomen. Verder is niet gesteld of gebleken dat van werknemer de overlegging van een dergelijke verklaring niet kan worden gevergd.