Naar boven ↑

Rechtspraak

ondernemingsraad AB Transport Group B.V./AB Texel Veevoertransporten B.V. c.s.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 25 januari 2017
ECLI:NL:RBNNE:2017:186

ondernemingsraad AB Transport Group B.V./AB Texel Veevoertransporten B.V. c.s.

Besluit tot invoering vierdaagse werkweek is vanwege ontbreken instemming OR nietig. Afwijzing vordering OR wegens ontbreken spoedeisend belang.

Feiten

AB Transport Group is een transportbedrijf. AB Transport Group voert met name voor de divisie veevoer sinds 2012 discussie/overleg met de vakbonden en de OR met betrekking tot (het wijzigen van) het arbeidssysteem en de dienstroosters. Bij brief van 29 november 2016 heeft AB Transport Group de OR (opnieuw) gevraagd in te stemmen met het invoeren van een vierdaagse werkweek. Bij brief van 21 december 2016 heeft de OR op grond van artikel 27 lid 5 WOR de nietigheid ingeroepen van het besluit van de directie van AB Transport Group om bij AB Texel een vierdaagse werkweek in te voeren. De OR vordert AB te veroordelen om zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van het besluit om binnen de veevoerdivisie over te gaan naar een vierdaagse werkweek. AB stelt zich primair op het standpunt dat de OR instemming heeft verleend en dat hij deze instemming niet kan intrekken. AB voert daartoe aan dat de OR als voorwaarde voor instemming met het vierdagensysteem heeft gesteld dat FNV en CNV zouden instemmen. Tijdens het gesprek van 4 november 2016 hebben FNV en CNV, zo stelt AB, hun akkoord gegeven omdat volgens FNV en CNV door de invoering van het vierdagensysteem binnen de kaders van de CAO Beroepsgoederenvervoer zou worden gebleven. Het vierdagensysteem kon volgens de vakbondsbestuurders op instemming van de bonden rekenen. De OR betwist dat hij – al dan niet voorwaardelijk – met het door AB Transport Group genomen besluit heeft ingestemd.

Oordeel

Nietig besluit

De kantonrechter is van oordeel dat nu de vakbonden geen partij zijn in de onderhavige procedure, het debat over de benodigde instemming van de vakbonden met de invoering van een vierdaagse werkweek buiten beschouwing kan worden gelaten. Niet aannemelijk is geworden dat de OR tijdens de bespreking van 4 november 2016 – al dan niet voorwaardelijk – mondeling zijn instemming heeft gegeven met het voorgenomen besluit van AB om een vierdaagse werkweek in te voeren, noch dat hij deze instemming op 4 december 2016 schriftelijk heeft bevestigd, zoals van de zijde van AB is aangevoerd. Niet is gebleken dat de OR, na ontvangst van de door AB Transport Group aan de OR toegezonden roosters, zijn instemming daaraan heeft verleend. AB Transport Group mocht zulks in ieder geval niet zonder meer afleiden uit het feit dat de OR niet meer op de toegezonden roosters – waarvan de OR nog heeft betoogd dat dit niet de juiste roosters waren – heeft gereageerd. De kantonrechter komt dan ook tot het voorlopig oordeel dat er sprake is van een nietig besluit.

Spoedeisend belang OR bij vordering ontbreekt

Desondanks heeft de OR een onvoldoende spoedeisend belang bij zijn vordering. Van belang is dat het (voorwaardelijk) verzoek van AB Transport Group strekkende tot het verlenen van vervangende instemming reeds is ingediend. Niet is gebleken dat er sprake is van een zodanige situatie dat, in afwachting van het oordeel van de kantonrechter in die bodemprocedure, een voorlopige voorziening getroffen dient te worden als door de OR gevorderd. Het feit dat de chauffeurs bij een vierdaagse werkweek op langere termijn mogelijk minder uren werken dan thans het geval is – hetgeen overigens van de zijde van AB is betwist – is niet van dien aard, dat de ingevoerde vierdaagse werkweek terstond dient te worden beëindigd. Voorts kan op voorhand niet worden gezegd dat, zoals de OR aanvoert, er op de zaterdagen onvoldoende werk zal zijn. Voor zover er volgens de OR met de vierdaagse werkweek gehandeld zal gaan worden in strijd met de cao doordat de chauffeurs te veel zaterdagen werken, is het aan AB om ervoor zorg te dragen dat daarvan geen sprake zal zijn. Ook het bezwaar van de gebroken werkweken kan in het kader van de onderhavige procedure niet als zodanig zwaarwegend worden aangemerkt dat het treffen van een voorlopige voorziening vereist is. Voorts kan niet uitgesloten worden dat in de bodemprocedure vervangende instemming zal worden verleend, nu ter gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren is gekomen dat de bezwaren van de vakbonden en de OR zich met name richten tegen het feit dat AB Transport Group onvoldoende overleg met hen heeft gepleegd, alsmede het feit dat door AB Transport Group onvoldoende inzichtelijk is gemaakt wat voor de betrokken chauffeurs de gevolgen zullen zijn van de invoering van de vierdaagse werkweek. De vordering van de OR wordt afgewezen.