Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 7 februari 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:424
werknemer/werkgever
Feiten
Werknemer is sinds 1991 in dienst bij werkgever. Werkgever heeft, na toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd met ingang van 1 september 2013. Daarbij is aan werknemer geen vergoeding uitbetaald. Werknemer vordert onder meer een verklaring voor recht dat sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging. Bovendien stelt werknemer dat werkgever een tussen partijen gemaakte afspraak over het terugkopen van de door werknemer gereden demonstratieauto niet nakomt, als gevolg waarvan werknemer een schade lijdt die bestaat uit het verschil tussen de door werkgever te betalen koopsom en de inruilwaarde van de auto in het economisch verkeer. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer afgewezen. Tegen dit vonnis komt werknemer in hoger beroep.
Oordeel
Kennelijk onredelijk ontslag?
Onweersproken is dat de bedrijfseconomische toestand van werkgever van dien aard was dat een reorganisatie voor het voortbestaan van werkgever noodzakelijk was. Daarmee is het belang van werkgever bij de opzegging gegeven. Dat belang weegt zwaar. Werknemer heeft erop gewezen dat het grootste bestanddeel van de schulden van werkgever bestaat uit een negatieve rekening-courantverhouding met de moedermaatschappij van werkgever, X, welke vennootschap niet de intentie heeft om de schuld op te eisen. Anders dan werknemer opmerkt, wil dat echter niet zeggen dat werkgever deze schuld niet hoeft terug te betalen. Bovendien betekent de omstandigheid dat de moedermaatschappij vooralsnog geen aanspraak maakt op aflossing van de schuld in rekening-courant niet dat zij (ook) verplicht is om de schuldpositie in rekening-courant verder op te laten lopen door bij te dragen in de kosten die voor werkgever voorvloeien uit de reorganisatie. Hetgeen werknemer heeft aangevoerd doet daarom niet af aan het gewicht van het belang van werkgever. De door werknemer aangevoerde omstandigheden zijn niet bijzonder: zij gelden voor alle met werknemer vergelijkbare oudere werknemers met relatief lange dienstverbanden. Ook de omstandigheid dat werknemer een inkomensverlies en pensioenschade lijdt levert op zich geen bijzondere omstandigheid in de zin van het aangehaalde arrest op. Het genoten inkomen overtreft het voor de vaststelling van een WW-uitkering in acht te nemen maximumdagloon niet. Naast een te ontvangen WW-uitkering behoudt werknemer aanspraak op zijn WAO-uitkering. De omstandigheid dat werknemer mogelijk een voordeel genoot uit een met de werkgever getroffen autoregeling voor een ter beschikking gestelde demonstratieauto levert ook geen bijzondere grond op om te oordelen dat het ontslag kennelijk onredelijk is. De regeling komt er globaal op neer dat werknemer jaarlijks voor eigen rekening een auto kon kopen zonder dat hij op de waarde van die auto hoefde af te schrijven, in combinatie met een tegemoetkoming voor een prijsstijging van de auto en kosten voor door hem betaalde verzekering en belasting. Het betreft dus een regeling die van toepassing is op tussen partijen te sluiten koopovereenkomsten. Gesteld noch gebleken is dat een hierdoor genoten voordeel ooit fiscaal als inkomen is belast. Een dergelijk voordeel (net als genoten reiskostenvergoedingen) kan bij de beoordeling van het inkomensverlies geen rol spelen als bijzondere omstandigheid die van invloed is op de kwalificatie van het ontslag. Naar vaste rechtspraak levert de enkele omstandigheid dat bij het ontslag geen vergoeding is aangeboden geen bijzondere omstandigheid op die het ontslag kennelijk onredelijk maakt. Werkgever was al enkele jaren verliesgevend en had eind 2013 een negatief eigen vermogen van ruim 1,8 miljoen euro. De liquiditeitspositie van werkgever stond ernstig onder druk. Een van de maatstaven voor de beoordeling van de vraag of een onderneming in staat is om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen is gelegen in de quick ratio, de verhouding tussen enerzijds de vlottende activa minus de voorraden en anderzijds de kortlopende schulden. Naarmate deze verhouding groter is dan 1 is de kans dat een onderneming niet aan haar verplichtingen op korte termijn kan voldoen kleiner. De quick ratio van de onderneming van werkgever bedroeg per ultimo 2013 niet meer dan 0,03, een waarde die een ernstige indicatie vormt voor het bestaan van een toestand waarin de onderneming niet langer in staat is om aan haar kortlopende verplichtingen te voldoen. Uit de overgelegde jaarstukken van 2013 blijkt voldoende dat werkgever financieel niet in staat was om voor de drie vertrekkende werknemers naast het in acht nemen van de wettelijke opzegtermijnen nog een verdere financiƫle voorziening te treffen. Werknemer heeft zijn vordering omtrent de autoregeling onvoldoende onderbouwd. Volgt afwijzing van de vorderingen van werknemer.