Naar boven ↑

Rechtspraak

FNV/PontMeyer c.s.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 8 november 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:4429

FNV/PontMeyer c.s.

Afwijkende salarisverhogingen voor boven-cao-werknemers niet in strijd met cao Houthandel.

Feiten

(Vervolg op AR 2016-0600.) Het Hof heeft bij het tussenarrest van 19 januari 2016 overwogen dat de vorderingen van FNV zich lenen voor een behandeling op grond van artikel 3:305a BW. Deze collectieve actie richt zich tegen de door Pontmeyer genomen besluiten met betrekking tot de inschaling en de salarisontwikkeling van sommige groepen werknemers. Het betreft de werknemers die een functiegroep hebben die uitstijgt boven functiegroep 8 van de cao Houthandel (door Pontmeyer worden de – nieuwe – functiegroepen van deze werknemers functiegroepen 9 tot en met 14 genoemd), alsmede van werknemers in de functiegroepen 7 en 8 met een functie die in de cao Houthandel zonder sterretje (*) is gemarkeerd en die tevens op de peildatum 1 januari 2012 een salaris verdienden boven de cao-grens (die in 2011 € 2725 bruto per maand bedroeg, bij 23 ADV-dagen). In 2013 bedroeg deze cao-grens € 36.169 bruto per jaar. Deze werknemers worden hierna de boven-cao-werknemers genoemd. De vorderingen van FNV richten zich op deze boven-cao-werknemers. Deze werknemers krijgen sinds 1 januari 2012 geen loonsverhogingen volgens de cao. Pontmeyer heeft ter rechtvaardiging van het door haar ingevoerde nieuwe loonsverhogingenbeleid (zoals opgemerkt o.a. gebaseerd op het functioneren van de werknemer en de bedrijfsresultaten van Pontmeyer) gewezen op het belang van het invoeren van een transparant, evenwichtig en beheersbaar beloningssysteem (de werknemers boven schaal 8 waren niet ingedeeld in een naar buiten toe kenbare functieschaal), alsmede op de bedrijfseconomische situatie van Pontmeyer.

Oordeel gerechtshof

Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat Pontmeyer tot 2012 deze cao-verhogingen altijd toekende. Het hof acht de omstandigheid dat bij de overgrote meerderheid van de boven-cao-werknemers in hun arbeidsovereenkomst geen melding is gemaakt van de cao Houthandel, en daarmee ook niet van de cao-verhogingen, relevant. Het van toepassing verklaren van één of meer cao-bepalingen in een arbeidsovereenkomst betekent immers dat een werknemer daaraan niet alleen rechten kan ontlenen, maar dat dit ook verplichtingen met zich kan brengen. Indien in een arbeidsovereenkomst een bepaling is opgenomen (zoals de bepaling dat, ondanks de omstandigheid dat een werknemer niet in een cao-schaal valt, toch cao-verhogingen zullen worden toegepast) dan kan daar een bepaalde (in het algemeen: grote) mate van rechtszekerheid aan worden ontleend. Indien zo’n bepaling niet voorkomt dan bestaat bij de aanvang van de arbeidsrelatie die zekerheid niet. Wanneer vervolgens, zonder dat daarover iets is afgesproken, en dus in zekere zin: ongevraagd, jaarlijkse of periodieke salarisverhogingen door de werkgever worden toegekend, dan zal dat, op een bepaald moment, en in toenemende mate, bij werknemers verwachtingen scheppen. Die verwachtingen, ook wanneer zij lange tijd gekoesterd zijn, leiden echter niet zonder meer tot een recht op een dergelijke toekenning. Daarvoor zijn nadere omstandigheden nodig, die echter niet zijn gesteld of gebleken. Voor zover met één of meer werknemers expliciete schriftelijke afspraken gemaakt zijn (volgens FNV in vier gevallen) dan kunnen die werknemers in beginsel aanspraak maken op nakoming van die afspraken. De vorderingen van FNV worden daarom afgewezen.