Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Post & Pakket Distributie Service VOF
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 21 maart 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:1114

werkneemster/Post & Pakket Distributie Service VOF

Kort geding. Gelet op de correspondentie kan niet worden geoordeeld dat sprake is van een loonstop met terugwerkende kracht.

Feiten

Werkneemster is sinds 15 september 2015 in dienst bij Post & Pakket Distributie Service VOF (hierna: PPDS). Zij heeft zich op 28 december 2015 ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft geconcludeerd dat werkneemster arbeidsongeschikt is voor haar eigen werkzaamheden, maar dat aangepaste werkzaamheden wel mogelijk zijn. PPDS heeft werkneemster meerdere malen opgeroepen om zich te melden voor het hervatten in aangepast werk. Werkneemster is niet verschenen. PPDS heeft vervolgens de betaling van het loon van werkneemster opgeschort met ingang van 1 juni 2016. Op 13 juli 2016 heeft PPDS werkneemster op staande voet ontslagen. Werkneemster heeft in dit kort geding gevorderd PPDS te veroordelen tot betaling van het salaris vanaf 1 juni 2016.

Oordeel

Loonvordering

In de bodemzaak is de vordering van werkneemster tot vernietiging van het haar verleende ontslag op staande voet afgewezen. Dat betekent dat de vordering van werkneemster, voor zover betrekking hebbend op de periode na 13 juli 2016 moet worden afgewezen. Inzet van dit geding beperkt zich aldus tot de loonvordering over de periode van 1 juni 2013 tot en met 13 juli 2016. Werkneemster heeft ook in het bodemgeding een loonvordering ingesteld, maar die werd afgewezen, evenwel zonder verdere motivering. Mogelijk heeft de kantonrechter deze loonvordering zo uitgelegd dat loon vanaf de datum van het ontslag op staande voet (13 juli 2016) werd gevorderd. Maar ook is denkbaar dat de kantonrechter de periode van 1 juni 2016 tot en met 13 juli 2016 wel in de beoordeling heeft betrokken, immers de loonstop wordt wel in de overweging meegenomen. In dit laatste geval is toewijzing in kort geding niet meer aan de orde. Werkneemster heeft de vraag of in het bodemgeding een loonvordering betreffende de periode 1 juni 2016 tot en met 13 juli 2016 aan de orde is niet onderkend en dus ook niet beantwoord. PPDS noemt de kwestie terloops. Voor het geval in het bodemgeding geen loonvordering voor de periode 1 juni 2016 tot en met 13 juli 2016 is ingesteld, wordt als volgt geoordeeld. Zo’n vordering had wel kunnen worden ingesteld, waarmee wellicht op 24 november 2016 zou zijn beslist. De inleidende dagvaarding van dit kort geding is van 18 augustus 2016, dus van ná het verleende ontslag op staande voet. In die dagvaarding wordt aangegeven dat het ontslag op staande voet wordt aangevochten. Het inleidend verzoekschrift in de bodemzaak is niet gedagtekend. Het ontbreekt werkneemster daarmee aan spoedeisend belang bij de honorering van de gevraagde voorziening, in ieder geval thans in hoger beroep. Kennelijk is een beslissing voor werkneemster niet dringend. Voor een toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter die vordering zal honoreren. Daarvan is hier geen sprake. De bodemrechter heeft immers overwogen dat werkneemster ondanks veelvuldige pogingen daartoe van PPDS zonder gegronde redenen heeft geweigerd (voldoende) mee te werken aan haar re-integratie en wel in zodanige mate en ernst dat die weigeringen (uiteindelijk) een ontslag op staande voet rechtvaardigen. Hoewel de bodemrechter wellicht niet heeft geoordeeld over de weigeringen van werkneemster die hebben geleid tot de ‘loonstop’ per 1 juni 2016, kan vooralsnog met onvoldoende mate van zekerheid worden geoordeeld dat de loonvordering voor de hier nog aan de orde zijnde periode zal worden toegewezen. Uit de beslissing van de bodemrechter kan worden afgeleid dat ook de eerdere weigeringen tot re-integratie onterecht waren. Die onterechte weigeringen liggen immers mede ten grondslag aan de beoordeling van de situatie op de ontslagdatum. Werkneemster heeft voorts zich erop beroepen dat een loonstop met terugwerkende kracht onmogelijk is Daarbij doelt zij op de eerste zin van de aan haar gerichte brief van PPDS van 1 juli 2016. Daarmee wordt door PPDS aangegeven dat het loon over de maand juni 2016, verschuldigd geworden aan het einde van die maand, niet wordt uitbetaald. PPDS wijst erop dat werkneemster deze maatregel was aangezegd.

Verder wijst PPDS op de mail van 10 mei 2016. Gelet op deze correspondentie kan niet aanstonds worden geoordeeld dat sprake is van een ‘loonstop met terugwerkende kracht’. De loonstop is immers vóór 1 juni 2016 aangekondigd. Overigens is het hof van oordeel dat het niet betalen van loon een sanctie is op het – onterecht – niet voldoen aan de verplichting van werkneemster tot re-integratie. Dit niet voldoen kan uit zijn aard eerst achteraf worden geconstateerd, zodat ook eerst pas achteraf loonbetaling feitelijk kan worden gestaakt, zoals hier het geval is. Het aannemen van een waarschuwingsverplichting, althans een aankondiging vooraf, is alleszins redelijk, maar aan die verplichting lijkt te zijn voldaan. Mede in aanmerking nemende hetgeen hiervoor overwogen ziet het hof geen aanleiding voor het opleggen van een voorlopige voorziening.