Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 23 maart 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:2325
werknemer/Dienstverlenng ‘Van Adrichem’ B.V.
Feiten
Beoordeeld dient te worden of er sprake is van een overgang van onderneming per 1 april 2014 waardoor Van Adrichem per die datum niet meer de werkgever van werknemer zou zijn.
Oordeel
Bij een overgang van onderneming in een sector als de schoonmaakbranche – een arbeidsintensieve sector – waar een eenheid werknemers zonder specifieke materiële of immateriële activa van betekenis kan functioneren, is met name van belang of de overnemende onderneming de activiteiten van de overgenomen onderneming voortzet en of daarbij gebruik wordt gemaakt van een qua aard en deskundigheid wezenlijk deel van het personeel dat haar voorganger voor die activiteiten had ingezet. Dat Groeneweg Diensten B.V. (hierna: Groeneweg), de overnemende onderneming, bij die schoonmaakactiviteiten gebruik maakt van dezelfde machines, schoonmaakmiddelen, werkroosters en hogedrukreinigers als Van Adrichem, zoals Van Adrichem heeft aangevoerd, is in beginsel niet relevant omdat die activa bij het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden niet van essentieel belang zijn. Van belang is of door Groeneweg, die de activiteiten ‘pack out en de industriële reinigingswerkzaamheden’ van Van Adrichem in de Teflonfabriek heeft voortgezet, gebruik wordt gemaakt van een qua aard en deskundigheid wezenlijk deel van de georganiseerde groep werknemers die bij Van Adrichem tezamen op die activiteiten werd ingezet. Van de zestien medewerkers van Van Adrichem die voor de pack out en de industriële reinigingswerkzaamheden werden ingezet, heeft Groeneweg aan zes medewerkers een arbeidsovereenkomst aangeboden, waaronder werknemer. Uiteindelijk zijn vier werknemers bij Groeneweg in dienst getreden. Anders dan Van Adrichem aanvoert, betreft dit niet een wezenlijk deel van het personeel, in ieder geval niet qua aantal. Nu Groeneveld geen wezenlijk deel van de groep van zestien werknemers van Van Adrichem heeft overgenomen, is er geen sprake van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW. Werknemer is dus na 1 april 2014 bij Van Adrichem in dienst gebleven. Aan de arbeidsovereenkomst tussen Van Adrichem en werknemer is met het onherroepelijk worden van de beschikking van deze rechtbank van 14 mei 2014 een einde gekomen en zodoende heeft werknemer recht op de in genoemde beschikking toegekende ontbindingsvergoeding van € 7440,92. Het verweer van Van Adrichem dat het onredelijk is om de ontbindingsvergoeding toe te kennen aan werknemer omdat hij geweigerd heeft een arbeidsovereenkomst met Groeneweg te sluiten wordt verworpen.