Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11 april 2017
ECLI:NL:GHAMS:2017:1275
X/Plancius Eten en Drinken C.V.
Feiten
De heer X heeft van 1 april 2013 tot 15 mei 2015 werkzaamheden verricht als bedrijfsleider van een door Plancius geëxploiteerd restaurant. Tussen partijen is in geschil of sprake is van een arbeidsovereenkomst (standpunt X) of van een overeenkomst van opdracht (standpunt Plancius). In eerste aanleg is geoordeeld dat sprake is geweest van een overeenkomst van opdracht. Tegen deze beslissing en de gronden waarop deze beslissing berust richt zich de grief van X.
Oordeel
Bij de beantwoording van de vraag of de overeenkomst tussen partijen gekwalificeerd moet worden als arbeidsovereenkomst of als overeenkomst van opdracht, is van belang wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen stond en hoe partijen uitvoering aan de overeenkomst hebben gegeven. X betwist niet dat hij en de rechtsvoorgangster van Plancius destijds de bedoeling hebben gehad een overeenkomst van opdracht te sluiten. Hij betwist evenmin de stelling van Plancius dat partijen bij de overname van het restaurant door Plancius van de vorige eigenaar hebben afgesproken dat de samenwerking op dezelfde voet zou worden voortgezet. Die bedoeling blijkt ook uit het feit dat X vanaf de aanvang van de overeenkomst zijn werkzaamheden per factuur (vermeerderd met btw) in rekening heeft gebracht en uit het feit dat X met ingang van 1 augustus 2014 (toen Plancius het restaurant is gaan exploiteren) een eenmanszaak heeft geregistreerd in het Handelsregister om, naar Plancius onweersproken heeft gesteld, ‘geen enkel misverstand over de bedoeling van partijen te laten bestaan’. Uit het feit dat X gedurende de gehele tijd dat de samenwerking tussen hem en de rechtsvoorgangster van Plancius respectievelijk Plancius heeft voortgeduurd, maandelijks heeft gefactureerd en daar volgens hem zelfs mee is doorgegaan nadat de samenwerking tussen partijen door Plancius was beëindigd per 15 mei 2015 en dat Plancius die facturen, behalve de facturen die dateren van na de beëindiging van de samenwerking tussen partijen, steeds heeft betaald, blijkt dat partijen ook bij de uitvoering van de overeenkomst zijn uitgegaan van de situatie dat tussen hen een overeenkomst van opdracht bestond. Anders dan X nog heeft gesuggereerd, is het niet zo dat een als overeenkomst van opdracht begonnen samenwerking in de loop van de tijd geruisloos kan veranderen in een arbeidsovereenkomst zonder dat partijen daaromtrent nadere afspraken maken en vervolgens ook aan die nadere overeenkomst uitvoering geven door niet langer te factureren maar loonbetalingen te verrichten. Gesteld noch gebleken is dat partijen op enig moment zijn overeengekomen dat de aard van hun samenwerking zou wijzigen, laat staan dat zij aan die nadere afspraak uitvoering hebben gegeven. De enkele omstandigheid dat X van zijn werkzaamheden verantwoording diende af te leggen aan Plancius, maakt ook nog niet dat er sprake was van een gezagsverhouding in de zin van artikel 7:610 BW. Het vooroverwogene leidt tot de conclusie dat de grief faalt.