Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 21 april 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:3734
werknemer/Prodentis B.V.
Feiten
Werknemer is op 1 juli 2016 voor onbepaalde tijd bij Prodentis in dienst getreden in de functie van tandprotheticus. Voorafgaand aan dit dienstverband was werknemer van 1 oktober 2014 tot 1 juli 2016 in dienst bij Tandtechnische Zorg Venlo en Omstreken B.V. (hierna ook: TTZ). Sinds 1990 was werknemer middels de Holding [werknemer] Venlo B.V. directeur-aandeelhouder van VTL. Medio 2014 werd werknemer benaderd door A om een overname van de bedrijven van werknemer door TTZ te bespreken. Dit heeft geleid tot de overeenkomst ‘overdracht onderneming’ die partijen op 30 september 2014 hebben gesloten. Naast de overname van de activa nam TTZ ook het personeel over van VTL. Dit had tot gevolg dat werknemer en zijn echtgenote per 1 oktober 2014 in dienst zijn getreden bij TTZ. Op 15 december 2016 is werknemer, evenals zijn echtgenote, op staande voet ontslagen.
Oordeel
Het verzoek van werknemer tot vernietiging van het ontslag op staande voet
Het geschil van partijen betreft in de eerste plaats de vraag of het door Prodentis aan werknemer gegeven ontslag op staande voet moet worden vernietigd. De dringende reden die is meegedeeld en dus moet worden beoordeeld, is blijkens de ontslagbrief van 16 december 2016 – kort gezegd – dat werknemer werkzaamheden als werknemer van Kies Mondzorg heeft verricht in het laboratorium van Kies Mondzorg en deze werkzaamheden via verzekeraar VGZ heeft laten uitbetalen aan zijn vennootschap VTL waardoor de opbrengsten ten behoeve van hemzelf zijn gekomen. Blijkens artikel 1.1 onder b en c van de overnameovereenkomst van 30 september 2014 heeft TTZ het volledige klantenbestand en de volledige orderportefeuille van VTL en [werknemer] Holding overgenomen. Die overnameovereenkomst moet worden aangemerkt als een onderhandse akte die tussen partijen dwingend bewijs oplevert voor de gemaakte afspraken. Werknemer heeft gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar in het laboratorium van Kies Mondzorg, met gebruikmaking van de materialen van Kies Mondzorg en in de door Prodentis betaalde tijd, werkzaamheden ten behoeve van zijn eigen vennootschap verricht en de opbrengsten daarvan voor zichzelf gehouden. De kantonrechter kwalificeert dit handelen niet alleen als een dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW maar ook als ernstig verwijtbaar handelen van werknemer. Echter, de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW, beantwoordt de kantonrechter negatief. Gelet op het feit dat Prodentis al in juni 2016 argwaan kreeg naar aanleiding van de garantiefacturen c.q. servicenota’s die opdoken in het systeem en het feit dat zij reeds in september 2016 op de hoogte was van het feit dat dit door werknemer verrichte werkzaamheden betrof die door hem waren gefactureerd maar niet voorkwamen in de administratie van Kies Mondzorg valt naar het oordeel van de kantonrechter niet in te zien dat het vervolgens nog tot 15 december 2016 heeft moeten duren alvorens zij is overgegaan tot het ontslag van werknemer. Nu het ontslag niet onverwijld is gegeven en dus niet voldoet aan de eisen van artikel 7:677 lid 1 BW, ligt het verzoek van werknemer tot vernietiging van de opzegging voor toewijzing gereed en dient de door Prodentis gevraagde verklaring voor recht, alsmede de door Prodentis gevorderde gefixeerde schadevergoeding te worden afgewezen.
Het verzoek van Prodentis tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst
Prodentis heeft primair aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd dat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De kantonrechter kwalificeert het eerder genoemde handelen van werknemer niet alleen als een dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW maar ook als ernstig verwijtbaar. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van Prodentis zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Nu het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer, komt hem op grond van artikel 7:673 lid 7 onderdeel c BW geen transitievergoeding toe. Prodentis stelt zich op het standpunt dat zij ten gevolge van het frauduleus handelen van werknemer schade heeft geleden. De kantonrechter is van oordeel dat werknemer het door Prodentis in het geding gebrachte overzicht van VGZ en de daarop vermelde bedragen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Het verzoek om een verklaring voor recht dat werknemer aansprakelijk is voor de door Prodentis geleden schade en de reeds vastgestelde schade van € 35.178,07 acht de kantonrechter derhalve toewijsbaar.