Naar boven ↑

Rechtspraak

Wilco BV/werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 26 januari 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:585

Wilco BV/werknemer

Ontslag op staande voet wegens vermeende diefstal van drie boeken. Bewijsopdracht aan werkgever om aan te tonen dat werknemer zonder toestemming van zijn leidinggevende de boeken heeft weggenomen.

Feiten

Werknemer is sinds 1 mei 2006 in dienst van Wilco BV, een bedrijf dat is gespecialiseerd in het drukken van boeken. Werknemer is op 7 oktober 2015 op staande voet ontslagen, omdat hij zonder toestemming van zijn leidinggevende, X, drie boeken zou hebben weggenomen. Dit ontslag op staande voet is vervolgens door de kantonrechter vernietigd. Tegen dit oordeel is Wilco in hoger beroep gegaan. Het hof heeft bij tussenbeschikking Wilco opgedragen om camerabeelden van de bewuste dag in het geding te brengen.

Oordeel

Wilco heeft aan het hof bericht niet in staat te zijn de camerabeelden in het geding te brengen met een daarbij behorende schriftelijke toelichting, omdat de op 7 oktober 2015 gemaakte camerabeelden zijn ‘gewist’. Vast staat dat Y, A en B op 7 oktober 2015 camerabeelden hebben bekeken. In de aantekeningen die werknemer ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft overgelegd heeft hij serieuze kanttekeningen geplaatst bij het feit dat Wilco in de procedure bij de kantonrechter heeft nagelaten de camerabeelden te tonen. Volgens werknemer zou op basis van deze beelden nagegaan kunnen worden wanneer werknemer de boeken in zijn rugtas heeft gedaan, of B werknemer toestemming heeft gegeven de boeken mee te nemen, of B en werknemer, nadat B de boeken aan werknemer had gegeven, samen door het magazijn zijn gelopen en of B vervolgens naar de binderij is gegaan en werknemer naar buiten is gelopen. Aangezien de camerabeelden zijn vernietigd kunnen deze er niet meer aan bijdragen om vast te stellen wat er precies op 7 oktober 2015 is gebeurd. Deze camerabeelden dienen in beginsel als relevant bewijsmateriaal te worden gekwalificeerd. Mede gelet op het tussen partijen op dit punt gevoerde debat in eerste aanleg, komt het voor rekening en risico van Wilco dat zij de camerabeelden niet heeft bewaard zodat de eventuele nadelige (procesrechtelijke) gevolgen hiervan niet op werknemer mogen worden afgewenteld. Dit betekent dat het hof geen aanleiding ziet af te wijken van de (hoofd)regel dat de bewijslast van de aanwezigheid van de dringende reden op de werkgever rust. Wilco heeft in de hiervoor genoemde brief van 28 november 2016 bewijs aangeboden door het (opnieuw) laten horen van drie werknemers over hetgeen zij destijds op de camerabeelden hebben gezien. Zij heeft aangegeven dat bij die gelegenheid ook B zou kunnen worden gehoord. Het hof acht het noodzakelijk dat B als getuige wordt gehoord. Werknemer dient er rekening mee te houden dat ook hij als getuige door het hof zal worden gehoord. Aangezien het hof niet alleen ten aanzien van de camerabeelden maar ook op andere punten nadere vragen heeft aan de getuigen die in hoger beroep zullen worden gehoord, zal het hof Wilco toelaten bewijs te leveren.