Naar boven ↑

Rechtspraak

Crosby Worldwide Limited/X
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 9 juni 2017
ECLI:NL:RBGEL:2017:3445

Crosby Worldwide Limited/X

Recht van Staat New York van toepassing verklaard op in aandeelhoudersovereenkomst (tussen buitenlandse moedermaatschappij van werkgever en werknemer) opgenomen non-concurrentiebeding. Staat op gespannen voet met het op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde Nederlandse arbeidsrechtelijke regime. Oordeel rechter hierdoor niet beïnvloed.

Feiten

X is op 5 juni 2000 in dienst getreden bij CrosbyIP. CrosbyIP maakt onderdeel uit van The Crosby Group LLC. Personeel is in staat gesteld een aandelenpakket in Crosby Worldwide Limited (hierna: Crosby) te verwerven. X heeft hiervan gebruik gemaakt en daartoe op 28 maart 2014 een aandeelhoudersovereenkomst met Crosby ondertekend. Hierin is een non-concurrentiebeding opgenomen voor de duur van twee jaar. In de aandeelhoudersovereenkomst is bepaald dat het recht van de Staat van New York daarop van toepassing is. Bij brief van 18 augustus 2016 heeft X zijn arbeidsovereenkomst met CrosbyIP opgezegd tegen 1 oktober 2016. Hij heeft daarbij tegen zijn leidinggevende gezegd dat hij bij een klant van Crosby (geen concurrent) in dienst zou treden. X treedt echter in dienst bij RUD, de grootste concurrent van Crosby. Crosby vordert veroordeling van X tot nakoming van het in de aandeelhoudersovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding.

Oordeel

De vraag is of Crosby X kan houden aan een non-concurrentiebeding dat onderdeel uitmaakt van de tussen Crosby en X gesloten aandeelhoudersovereenkomst, alsmede welk recht van toepassing is. De voorzieningenrechter onderkent dat het overeenkomen van een non-concurrentiebeding in een aandeelhoudersovereenkomst tussen een buitenlandse moedermaatschappij van de werkgever en de werknemer, op gespannen voet staat met het op de onderhavige arbeidsovereenkomst tussen CrosbyIP en X van toepassing zijnde Nederlandse arbeidsrechtelijke regime. Daarmee is echter niet zonder meer gezegd dat de rechtskeuze in de aandeelhoudersovereenkomst met de moedermaatschappij buiten toepassing moet blijven, noch dat het arbeidsrechtelijke regime dat de arbeidsovereenkomst beheerst, onverkort zou moeten worden toegepast. Hoe de spanning tussen die twee zou moeten worden opgelost kan echter in het midden blijven. Ook toepassing van het regime van artikel 7:653 BW zal niet in de weg staan aan de toewijsbaarheid van de vordering. In de eerste plaats moet worden geconstateerd dat de aandeelhoudersovereenkomst schriftelijk is aangegaan. In deze overeenkomst is het non-concurrentiebeding opgenomen en X heeft deze overeenkomst ondertekend. Aannemelijk is dat X voldoende tijd heeft gehad om kennis te nemen van de inhoud en zich te realiseren wat hij zou ondertekenen. Dit betekent dat, ook indien het regime van artikel 7:653 BW zou worden toegepast, is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste. Vervolgens ligt de vraag voor of het non-concurrentiebeding wordt overtreden. Vast staat dat RUD een directe en de grootste concurrent is van Crosby. X heeft verklaard dat zijn werkzaamheden bij RUD dienovereenkomstig zijn werkzaamheden bij CrosbyIP zijn. Onder de gegeven omstandigheden leidt het geen twijfel dat X bij RUD concurrerend werkt op een wijze waarop het non-concurrentiebeding wordt overtreden. De voorzieningenrechter acht het dan ook aannemelijk dat X het beding in belangrijke mate overtreedt. Ook indien zou worden uitgegaan van de toepasselijkheid van het regime van artikel 7:653 BW, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor een beperking van het non-concurrentiebeding in duur of anderszins. Een periode van twee jaar is op zichzelf betrekkelijk lang, maar anderzijds moet niet uit het oog verloren worden dat X al sinds oktober 2016 op concurrerende wijze bij RUD in dienst is en dat mitigatie van de duur tot een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst in feite betekent dat Crosby maar bescherming van een aantal maanden aan dat beding zou ontlenen. In aanmerking genomen de aard en ernst van de overtreding en het feit dat X bij beëindiging van zijn dienstverband opzettelijk een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven en daarin ook heeft volhard, ziet de voorzieningenrechter geen goede grond voor beperking in duur. Het voorgaande betekent dat wanneer de aandeelhoudersovereenkomst en het recht van de Staat New York worden toegepast, er aanleiding is om tot dit oordeel te komen en het oordeel van de voorzieningenrechter zou niet anders zijn als de maatstaf van artikel 7:653 BW zou worden toegepast. X wordt dan ook veroordeeld tot nakoming van het non-concurrentiebeding.