Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 21 februari 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:629
werknemer/werkgeefster
Feiten
Werknemer is op 24 april 2008 in de functie van uitzendkracht in dienst getreden. Hij is op 23 januari 2014 op staande voet ontslagen wegens ongeoorloofde afwezigheid en werkweigering. In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat het ontslag op staande voet is vernietigd en dat de arbeidsovereenkomst ook na 23 januari 2014 nog voortduurt. De loonvordering is toegewezen. Werknemer heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis voor zover het betreft de matiging van de loonvordering en de matiging van de wettelijke verhoging. Werkgeefster concludeert dat de grieven van werknemer niet gehonoreerd dienen te worden. In haar hoger beroep vordert werkgeefster onder aanvoering van drie grieven terugbetaling van het door haar ten onrechte betaalde bedrag van € 2143,95 netto,
Oordeel
Dringende reden
Het hof zal de eerste grief van het door werkgeefster ingestelde incidenteel hoger beroep als eerste behandelen, aangezien in die grief wordt aangevoerd dat er voor werkgeefster een dringende reden bestond om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, zodat het andersluidende oordeel van de kantonrechter onterecht zou zijn. Het hof stelt vast dat in het bestreden vonnis de kantonrechter heeft overwogen dat tijdens de comparitie werkgeefster heeft gesteld dat, indien zij had geweten dat werknemer in verband met een noodgeval met betrekking tot zijn kinderen naar Polen moest, zij hem waarschijnlijk wel verlof had verleend. Tegen deze vaststelling is geen grief gericht, zodat het hof hiervan uitgaat. Gelet hierop is de stelling van werkgeefster, dat werknemer zijn verlof tijdig, maar uiterlijk één week vóór het gevraagde verlof had moeten aanvragen een onvoldoende onderbouwd verwijt jegens werknemer. Immers niet kan worden uitgesloten dat werknemer, zoals hij aanvoert, vanwege het moment van de bij hem opgekomen nood, niet kon voldoen aan het tijdig aanvragen van verlof, te weten uiterlijk één week vóór het verzochte verlof. Het had op de weg van werkgeefster als goed werkgever gelegen om te onderzoeken of er van een noodgeval bij werknemer sprake was waardoor hij niet tijdig verlof had kunnen vragen, voordat zij tot ontslag op staande voet overging. De grief wordt verworpen.
Matiging loonvordering
Als bijzonderheid die tot matiging kan leiden, stelt werkgeefster dat werknemer na het ontslag op staande voet inkomsten uit arbeid elders heeft genoten. Het hof stelt vast dat werknemer niet op voormelde stelling heeft gereageerd. Voor een juiste beoordeling van het beroep op matiging acht het hof het van belang dat werknemer aangeeft welke inkomsten hij heeft genoten sinds 23 januari 2014 tot 5 augustus 2015. Laatstgenoemde datum is die waartegen werkgeefster werknemer heeft opgeroepen werkzaamheden te verrichten en waaraan werknemer vanwege zijn andere baan geen gehoor kon geven, zo is tussen partijen niet in geschil. Het hof zal de zaak naar de rolzitting verwijzen voor het nemen van een akte door werknemer met uitsluitend de hiervoor bedoelde inhoud. Werkgeefster zal in de gelegenheid worden gesteld bij akte te antwoorden [red: voor eindoordeel zie AR 2017-0944].