Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 25 juli 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:3357

werknemer/werkgeefster

Geen bijzondere omstandigheden die leiden tot matiging loonvordering na ontslag op staande voet. Onder meer omdat werknemer geen wedertewerkstelling heeft gevorderd en een jaar heeft gewacht met het instellen van de vordering tot betaling van loon, wordt wettelijke verhoging gematigd tot 20%.

Feiten

(Vervolg AR 2017-0943.) Met betrekking tot de gevolgen van het ontslag op staande voet heeft werknemer aangevoerd dat hij en zijn echtgenote (zij is ook op staande voet ontslagen) vanwege het gegeven ontslag op staande voet niet in aanmerking kwamen voor een WW-uitkering. Na 23 januari 2014 hebben zij moeten leven van geld dat zij van familie en bekenden leenden. Vanaf 16 juli 2014 is aan hen gezamenlijk een bijstandsuitkering toegekend van € 1291,52 per maand. Vanwege de omstandigheid dat de hypotheek op de woning niet langer betaald kon worden, heeft de hypotheekverstrekker het beheer van de woning overgenomen en hebben werknemer en zijn vrouw met ingang van 1 mei 2015 moeten verhuizen naar een camping.

Oordeel

Matiging loonvordering

Voor zover werknemer aanvoert dat de kantonrechter zijn loonvordering ten onrechte heeft gematigd tot het loon over twee maanden slaagt de grief. Op grond van het bepaalde in artikel 7:680a BW kan een loonvordering die gegrond is op de vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet verder gematigd worden dan tot het in geld vastgestelde loon voor drie maanden. Ook in hoger beroep heeft werkgeefster een beroep gedaan op matiging van de loonvordering. Omdat werkgeefster het onderzoek naar de reden voor afwezigheid van werknemer niet heeft uitgevoerd, hetgeen wel op haar weg had gelegen, kan zij zich in rechte niet beroepen op dwaling ten aanzien van het bestaan van een dringende reden en daarmee dwaling ten aanzien van de rechtsgeldigheid van het gegeven ontslag. Ten aanzien van het argument van werkgeefster dat zij is benadeeld doordat werknemer lang heeft gewacht met het instellen van zijn loonvordering, merkt het hof op dat werknemer tijdig de nietigheid van het gegeven ontslag heeft ingeroepen, bij brief van 29 april 2014. Vanaf dat moment diende werkgeefster er rekening mee te houden dat werknemer aanspraak bleef maken op doorbetaling van loon. Desondanks heeft werkgeefster zelf gewacht tot april 2015 met het indienen van een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. In het tijdverloop kan geen bijzondere omstandigheid worden gevonden om de loonvordering te matigen. Dat werknemer vóór 25 maart 2015 inkomen uit arbeid heeft genoten is in rechte niet gebleken. Slotsom is dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die – bij inachtneming van de vereiste terughoudendheid bij de beoordeling van een beroep op matiging van de loonvordering – aanleiding geven tot een oordeel dat het ongematigd toewijzen van de loonvordering over de periode van 23 januari 2014 tot 25 maart 2015 tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

Wettelijke verhoging

De tweede grief is gericht tegen de beslissing om de gevorderde verhoging op voet van het bepaalde in artikel 7:625 BW te matigen tot nihil. Het hof stelt vast dat de reden voor het niet (tijdig) betalen van het achterstallige loon toerekenbaar is aan werkgeefster. Onder de gegeven omstandigheden, waaronder het feit dat werknemer geen wedertewerkstelling heeft gevorderd en een jaar heeft gewacht met het instellen van de vordering tot betaling van loon is het hof echter van oordeel dat gronden bestaan om de gevorderde verhoging te matigen tot 20%.