Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 8 februari 2017
ECLI:NL:RBZWB:2017:4550
werkneemster/werkgever
Feiten
Werkneemster is sinds 2015 in dienst bij werkgever. In de arbeidsovereenkomst is een provisieregeling opgenomen. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is door middel van een vaststellingsovereenkomst van 30 november 2015 tot en met 1 januari 2016 beëindigd. Werkneemster vordert onder meer een provisievergoeding over de periode van 1 januari 2015 t/m 31 december 2015 en een bedrag van € 284,67 aan telefoonkosten. Zij vordert tevens verifieerbare omzetgegevens over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015.
Oordeel
Ten aanzien van de gevorderde provisie staat vast dat partijen in de arbeidsovereenkomst van 30 april 2015 in artikel 4 een provisieregeling zijn overeengekomen. Voorts staat vast dat partijen in de vaststellingsovereenkomst van 30 november 2015 de aanspraak op de provisie hebben uitgesloten van de finale kwijting op grond waarvan het werkneemster vrijstaat om in rechte aanspraak te maken op provisie. Tussen partijen staat ter discussie over welke periode werkneemster aanspraak kan maken op provisie. In artikel 5.5 van de vaststellingsovereenkomst is vermeld dat ‘van deze algehele en finale kwijting worden uitsluitend uitgezonderd de aanspraak die werknemer meent te hebben op provisie van X, zulks op basis van artikel 4 lid 2 van de arbeidsovereenkomst van 30 april 2015.’ Daaruit dient te worden afgeleid dat de aanspraak op provisie van de finale kwijting is uitgezonderd, voor zover het gaat over de periode na 30 april 2015. Voor zover werkneemster stelt dat moet worden uitgegaan van een langere periode volgt de kantonrechter werkneemster niet. Gelet op het feit dat werkneemster zich ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft laten bijstaan door een juridisch adviseur, had het voor de hand gelegen dat, indien partijen hadden bedoeld uit te gaan van een langere periode (namelijk reeds vanaf januari 2015), dit ook uitdrukkelijk in de vaststellingsovereenkomst zou zijn opgenomen. Anders dan werkneemster stelt, kan uit de tekst van de e-mail van werkgever van 28 september 2015 aan werkneemster, niet worden afgeleid dat de bedoeling van partijen was dat de aanspraak op provisie gold vanaf 1 januari 2015, nu als onweersproken gesteld vaststaat dat deze mededeling is gedaan lopende een mediationtraject en uit de tekst blijkt dat werkgever ‘uit coulance’ – en dus onverplicht – is uitgegaan van berekening vanaf 1 januari 2015, terwijl voorts deze mededeling is gedaan geruime tijd vóór de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst, waarin een andere afspraak is vastgelegd. Vorenstaande leidt ertoe dat bepaling 5.5 uit de vaststellingsovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat van de finale kwijting is uitgezonderd de aanspraak op provisie per 30 april 2015. Beoordeeld dient dan te worden op welk bedrag aan provisie werkneemster aanspraak heeft. Partijen twisten aldus over de vraag hoe de provisieregeling moet worden uitgelegd en beoordeeld dient dan ook te worden hoe partijen de provisieregeling redelijkerwijs hebben mogen begrijpen. De bepaling in artikel 4.2 van de arbeidsovereenkomst betreffende de 1%-variant staat niet op zichzelf, maar moet worden gelezen in samenhang met het hele artikel. Dit brengt mee dat werkneemster aanspraak op provisie kan maken, indien en voor zover zij betrokkenheid heeft gehad bij de accounts in die zin dat zij werkzaamheden heeft verricht zoals genoemd in de 2%-variant, behoudens calculeren en offreren. Een andersluidende opvatting zou er immers toe leiden dat werkneemster aanspraak op provisie kan maken op een gerealiseerde omzet van accounts, zonder dat zij bij het verkrijgen van die opdracht op enigerlei wijze betrokken is. Vorenstaande leidt ertoe dat werkneemster gedurende haar periode van afwezigheid (wegens ziekte) geen aanspraak kan maken op provisie, nu voornoemde betrokkenheid gedurende die periode niet aan de orde kan zijn geweest. Het voorgaande brengt mee dat werkneemster recht heeft op provisie over de maanden mei, juni en juli 2015 betreffende facturen onder eigen accounts waarbij zij bemoeienis heeft gehad, in de zin van het opvolgen van de offerte/opdracht van die betreffende factuur.
Werkneemster stelt in de lijst van productie 9 over de relevante periode mei tot en met juli 2015 een provisie van (opgeteld) € 1640,26. De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van werkneemster dat zij deze facturen heeft aangeduid omdat deze facturen klanten betreffen die door haar (op enig moment) zijn binnengehaald als klant en de aangeduide facturen onder haar accounts tot stand zijn gekomen. Recht op provisie bestaat indien werkneemster bemoeienis heeft gehad, in de zin van het opvolgen van de offerte/opdracht van die betreffende factuur. De kantonrechter kan uit de lijst van productie 9 en de acquisitielijsten van productie 10 en 21 niet opmaken of dit het geval is geweest bij de door werkneemster in productie 9 aangeduide facturen. Werkneemster wordt daarom ten aanzien van de provisie inzake Y in de gelegenheid gesteld om bij akte aan te geven van welke facturen op productie 9 over de maanden mei tot en met juli 2015 zij bemoeienis heeft gehad, in de zin van het opvolgen van de offerte/opdracht van die betreffende factuur. Vervolgens zal werkgever in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren. Werkneemster wordt ook ten aanzien van de provisie inzake X in de gelegenheid gesteld om bij akte aan te geven van welke facturen op productie 3 over de maanden mei tot en met juli 2015 zij bemoeienis heeft gehad, in de zin van het opvolgen van de offerte/opdracht van die betreffende factuur.
Telefoonkosten
Artikel 9 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat de door de werknemer te maken kosten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van de functie, en noodzakelijkerwijs zijn gemaakt in het kader van door de werkgever opgedragen werkzaamheden, door de werkgever zullen worden vergoed tegen overlegging van de betreffende nota’s. Werkneemster vordert telefoonkosten over de periode van juli tot en met november 2015. Vast staat dat zij in deze periode niet heeft gewerkt, zodat er geen sprake kan zijn van kosten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van de functie, en noodzakelijkerwijs zijn gemaakt in het kader van door de werkgever opgedragen werkzaamheden. Ter zitting is de kantonrechter echter gebleken dat werkneemster gedurende haar dienstverband gebruik maakte van haar eigen telefoon en dat de door haar gedeclareerde telefoonkosten steeds door werkgever aan werkneemster zijn betaald, ook voorheen tijdens ziekte. Dit rijmt overigens ook met hetgeen in artikel 3.2 van de vaststellingsovereenkomst is opgenomen, te weten dat pas vanaf de vrijstelling van arbeid (30 november 2015) geen kostenvergoedingen meer worden doorbetaald, zodat tijdens de daaraan voorafgaande periode van ziekte wel recht op kostenvergoedingen bestaat. Gelet op het bestendig gebruik, de bepaling in de vaststellingsovereenkomst en nu werkgever de hoogte van de declaraties niet afzonderlijk heeft betwist, ligt dit deel van de vordering (€ 284,67 netto) voor toewijzing gereed. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.