Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 3 september 2019
ECLI:NL:GHAMS:2019:3231
werkneemster/Stichting Islamitisch Primair Onderwijs Rijnmond h.o.d.n. SIPOR
Feiten
Werkneemster is vanaf 4 januari 2002 als lerares werkzaam geweest bij Stichting Islamitisch Primair Onderwijs Rijnmond H.O.D.N. SIPOR (hierna: SIPOR) met werktijdfactor 1,0. Op 22 juni 2015 is werkneemster door het UWV voor 48,49% arbeidsongeschikt bevonden. Daarbij is geoordeeld dat bij SIPOR herplaatsingsmogelijkheden waren en dat deze waren benut. Op 13 juli 2015 is een akte van ontslag aan werkneemster verleend. Hierin staat dat werkneemster met ingang van 1 augustus 2015 ontslag werd verleend wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Op 13 juli 2015 is tevens een akte van benoeming aan werkneemster verleend. Vanaf 1 augustus 2015 is werkneemster voor onbepaalde tijd benoemd tot onderwijsassistent. De werktijdfactor bij deze functie bedraagt 0,8 en het loon bedraagt € 1.706,40 bruto per maand. Voordien verdiende werkneemster een salaris van € 3.313 bruto per maand. Werkneemster heeft in eerste aanleg veroordeling van SIPOR verzocht tot betaling van de transitievergoeding van primair € 51.135,14 bruto en subsidiair € 10.227,03 bruto (voor de werktijdfactor 0,2). Bij beschikking van 5 januari 2016 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is beëindigd maar feitelijk is voortgezet onder gewijzigde voorwaarden, zodat werkneemster geen aanspraak kan maken op de transitievergoeding. Werkneemster stelt zich in hoger beroep eveneens op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst (gedeeltelijk) beëindigd is en haar om die reden een transitievergoeding toekomt.
Oordeel
Gelet op de Kolom-beschikking (HR 14 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1617) is sprake van een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst aangezien partijen zijn overgegaan tot een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van werkneemster met twintig procent. Werkneemster heeft – in ieder geval – recht op een gedeeltelijke transitievergoeding van € 10.227. Het hof is van oordeel dat de bestaande arbeidsovereenkomst in aangepaste vorm is voortgezet en daarmee niet is beëindigd, zodat werkneemster geen recht heeft op de volledige transitievergoeding. Wel rijst de vraag of door de substantiële en structurele salarisvermindering als gevolg van de functiewijziging van werkneemster op dat punt eveneens van een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan worden gesproken. Het gaat hier volgens het hof om een rechtsvraag die rechtstreeks van belang is voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen. Het hof is voornemens de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor te leggen: (1) Dient met een vermindering van de arbeidsduur gelijkgesteld te worden een vermindering van het salaris als gevolg van een functiewijziging, met dien verstande dat in dat geval ook recht op een transitievergoeding bestaat naar evenredigheid van de salarisvermindering? (2) Gelden voor een dergelijke functiewijziging dan dezelfde eisen als genoemd in r.o. 3.5.5 van de Kolom-beschikking? (3) Geldt dan ook dat het moet gaan om een substantiële en structurele salarisvermindering in dier voege dat het moet gaan om een vermindering van ten minste twintig procent die naar redelijke verwachting blijvend zal zijn? (4) Indien sprake is van zowel een vermindering van arbeidsduur als van salaris, hoe moet in dat geval dan de transitievergoeding worden berekend? Partijen worden op de voet van artikel 392 lid 2 Rv in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag die het hof voornemens is aan de Hoge Raad voor te leggen en het hof houdt iedere verdere beslissing aan.