Rechtspraak
Feiten
PHJ is het bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet ten behoeve van de houtverwerkende industrie en de jachtbouw. Voor deze sectoren is de aansluiting bij en deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds ingevolge de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) verplicht gesteld. Werkgever houdt zich bezig met het vervoerbaar maken van machines, machineonderdelen en andere kapitaalgoederen van haar klanten. De aard van de bedrijfsactiviteiten van werkgever is in de loop der tijd niet veranderd. De te vervoeren goederen worden in aluminium hoezen, in houten kisten en in kratten verpakt en met spanbanden en balken op houten vloeren, pallets en bokken in (zee)containers geplaatst. Werkgever vervaardigt zelf een substantieel deel van de houten verpakkingsmaterialen die noodzakelijk zijn voor schadevrij vervoer. Vanaf 18 augustus 2016 heeft PHJ werkgever aangeschreven met het verzoek om informatie, omdat verondersteld werd dat zij onder de verplichtstelling van de door het fonds uitgevoerde pensioenregeling viel. Bij brief van 23 januari 2017 heeft werkgever zich op het standpunt gesteld niet te behoren tot de ondernemingen die verplicht deelnemen aan het bedrijfstakpensioenfonds. Werkgever erkende houten emballage te maken, maar alleen ‘als ondersteuning van de hoofdactiviteit’ en in omvang relatief (vergeleken met de expeditie-activiteiten) beperkt. Op 24 oktober 2019 heeft PHJ aan werkgever een ambtshalve premienota over de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2019 gestuurd voor een bedrag van € 3.036.097,86. Partijen twisten over de vraag of werkgever behoort tot de ondernemingen waarvoor een verplichte aansluiting bij het bedrijfstakpensioenfonds voor de sector van de houtverwerkende industrie geldt, en met ingang van welke datum.
Oordeel
Verplichtstelling
De uitleg van verplichtstellingsbesluiten als de onderhavige moet volgens vaste rechtspraak geschieden aan de hand van de zogenoemde cao-norm. Het partijdebat heeft zich toegespitst op de uitleg van de woorden ‘ondernemingen’ in de houtverwerkende industrie ‘waarin het bedrijf wordt uitgeoefend’ zoals in de verplichtstellingsbesluiten nader omschreven. Het gaat bij de vraag naar de werkingssfeer van de verplichtstellingsbesluiten om een beoordeling van de feitelijke ondernemingsactiviteiten. De rechtbank verwerpt het standpunt van werkgever waar zij voor haar opvatting, dat bedrijfsactiviteiten die de kernactiviteit ondersteunen en daaraan ondergeschikt zijn geen grondslag kunnen vormen voor verplichte aansluiting, argumenten put uit de taalkundige betekenis van de woorden ‘bedrijf’ en ‘uitoefenen’. Daaruit kan slechts worden opgemaakt dat het bij de uitoefening van een bedrijf veelal gaat om een op het maken van winst gerichte activiteit. Maar daaraan kan niet, zoals werkgever meent, worden ontleend dat – naar dagelijks taalgebruik – slechts dan van bedrijfsuitoefening sprake is als de bedrijfsactiviteiten merendeels van een bepaalde aard zijn. Voor de conclusie van de rechtbank dat géén hoofdzakelijkheidscriterium geldt wil een ondernemer geacht kunnen worden het bedrijf uit te oefenen van de vervaardiging of assemblage van houten artikelen of van houten emballage, is van belang dat in de hoofdcategorieën van de beide verplichtstellingsbesluiten geen kwantitatief criterium is opgenomen, terwijl dat uitdrukkelijk wél is gebeurd bij de uitzondering die (onder c. van het verplichtstelling 1995 en onder 1.B.1., eerste aandachtstreep, van het verplichtstellingsbesluit 2015) is gemaakt voor de grafkistenindustrie. Dat wijst erop dat bij de werkingssfeer van die twee hoofdcategorieën geen hoofdzakelijkheidscriterium geldt. Mogelijk zou het feit dat de houten kisten en dergelijke niet voor de verkoop aan derden bestemd zijn, aan toepasselijkheid van de hoofdcategorie onder a. van het verplichtstellingsbesluit 1995 en onder I.A. van dat van 2015 in de weg kunnen staan, nu het daarbij blijkens de gegeven opsomming gaat om artikelen, goederen en producten (zoals huishoudelijke en technische artikelen, gereedschap, speelgoed en dergelijke) die veelal worden geproduceerd teneinde (uiteindelijk aan de gebruiker of consument) te worden verkocht. Maar werkgever ziet eraan voorbij dat dit niet kan worden volgehouden voor de hoofdcategorie onder c. van het verplichtstellingsbesluit 1995 en onder I.B.1 van het verplichtstellingsbesluit 2015, nu daarin – behalve de (groot)handel in houten emballage – de vervaardiging en assemblage als afzonderlijk bedrijfsactiviteiten zijn genoemd. Het beroep dat PHJ op de toepasselijkheid van die hoofdcategorie heeft gedaan, slaagt. Op grond van het voorgaande is de tussenconclusie dat werkgever binnen de werkingssfeer van de verplichtstellingsbesluiten 1995 en 2015 valt.
Aansluitingsdatum
PHJ heeft er in haar uitlatingen jegens werkgever geen misverstand over laten bestaan dat het fonds er, vanwege de in de loop der tijd niet veranderde aard van de ondernemingsactiviteiten van werkgever, rekening mee had te houden dat zij door haar (ex-)werknemers zou worden aangesproken tot uitkering van pensioen waarop in de periode vanaf 1 januari 2007, dus ook in de periode vóór 2017 of 2019, aanspraak is ontstaan. Dat in de e-mails van 21 maart en 10 mei 2019, waarin PHJ er bij werkgever op aandrong om pensioenaangifte te doen, 1 januari 2019 als aansluitingsdatum is genoemd, maakt dit niet anders, nu werkgever die mededeling niet heeft opgevat, en ook niet heeft mogen opvatten, als een wijziging in het standpunt dat het bedrijfstakpensioenfonds tevoren, onder meer op 11 en 18 december 2018 en op 18 maart 2019, had ingenomen. Vast staat dat de voorwaarden waaronder PHJ bereid was werkgever tegemoet te komen niet zijn gerealiseerd.
Verjaring
Omdat het aan de werkgever, die binnen de werkingssfeer van een verplichtstellingsbesluit valt of daarover in het ongewisse verkeert, is om zich tot het bedrijfstakpensioenfonds te wenden, komt het oplopen van de premieschuld in beginsel voor rekening en risico van die werkgever. Dan geldt ingevolge artikel 3:306 BW een verjaringstermijn van 20 jaar vanaf het moment waarop de vordering tot premieafdracht van rechtswege is ontstaan. Dat strookt met de betrokken belangen van de collectiviteit van deelnemers en pensioengerechtigden. Dit lijdt slechts uitzondering, indien het bedrijfstakpensioenfonds naar objectieve maatstaven gemeten – eerder dan wanneer het bedrijfstakpensioenfonds jegens een werkgever aanspraak op premieafdracht is gaan maken – bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met de vordering op de werkgever. PHJ heeft aangevoerd dat werkgever pas door de naamswijziging van werkgever ‘op de radar’ is gekomen. Werkgever heeft daartegenover geen feiten of omstandigheden aangevoerd die erop kunnen duiden dat PHJ al op een eerder moment had kunnen en moeten weten dat werkgever onderdeel uitmaakte van de werkgever-groep. Van een bedrijfstakpensioenfonds kan redelijkerwijs niet worden gevergd dat zij eigener beweging onderzoek doet naar de onderlinge vennootschappelijke relaties tussen bedrijven binnen de sector. Het verjaringsberoep van werkgever slaagt daarom niet. De vordering van werkgever wordt afgewezen.